Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1199.

2059. B. de Regt. Is het auteursrecht vatbaar voor verpanding ? (Neen, omdat de kennisgeving, die volgens art. 1199 vereischt wordt voor de vestiging van het pandrecht, onmogelijk is). — W. v. N. R. 1136 en 1141.

Mr. H. S. Idem. (Ja, omdat, waar de kennisgeving onmogelijk is, de inbezitstelling, die bij auteursrecht zal kunnen geschieden door overgave der bewijsstukken aan den crediteur, voldoende is). — W. v. N. R. 1138 en 1142.

2060. D. E. Lioni. De verpanding van inschulden naar het Romeinsche en Nederlandsche recht. — Ac. Pr. Amsterdam 1885. Beoord. door mr. H. L. Drucker in R. M. V, 112.

2061. A. C. de Wilde. Een gevaar (?) aan de verpanding eener schuldvordering verbonden. (S. beantwoordt de vraag of eene vordering, die in pand is gegeven, kan te niet gaan door schuldvermenging — als de schuldenaar der in pand gegeven vordering erfgenaam wordt van den schuldeischer — ontkennend, op grond dat hetzelfde motief, dat geldt voor de bewering, dat de pandgever geen betaling kan ontvangen, ook dienst kan doen voor de juistheid der stelling, dat de verpanding der vordering de confusie belet). — Not. W. 283.

2062. Voor de vestiging van het pandrecht moet de pandnemer zorgen, niet de pandgever. — Hof Leeuwarden 22 Februari 1882; W. 4797.

2063. J. P. Vemer. Hypothecaire inschrijving van pandrecht (betreffende de aanteekening der verpanding van hypothecaire schuldvorderingen ten hypotheek-kantore). — W. v. N. R. 910.

2064. Pandrecht op een niet aan toonder of order luidende schuldvordering is volkomen, zoodra aan den schuldenaar van de verpanding is kennis gegeven; derden kunnen op grond der latere registratie van zoodanige kennisgeving niet beweren, dat het bedoelde pandrecht tegenover hen eerst volkomen zou zijn na de registratie. — Rechtb. Roermond 26 Maart 1891; W. 6023; R. W. v. N. 714 Bev. door na te melden arr. Hof 's-Hertogenbosch.

2065. De oorspronkelijke schuldenaar, wiens schuld door zijn schuldeischer is verpand aan een derde, kan, nadat hem die inpandgeving is medegedeeld, zijne verplichtingen jegens den pandnemer niet meer aan een derde overdragen, tengevolge waarvan dan de verpande vordering door compensatie tengevolge van het feit dat degene, die de verplichting overnam, schuldeischer was van den schuldeischer der verpande vordering te niet zou gaan. Partijen zijn geheel vrij in de keuze van den vorm, waarin de kennisgeving in dit artikel bedoeld, moet geschieden. — Hof 's-Hertogenbosch 17 Mei 1892; W. 6212; R. W. v. N. 746.

2066. Indien een zakelijk recht van pand is gevestigd, brengt de aard van dat recht werking daarvan mede tegenover een iegelijk, ofschoon vreemd aan de handelingen, waaruit de vestiging van het pandrecht is voortgesproten. De schuldeischer, die eene vordering op zijn schuldenaar in pand heeft gegeven aan een derde, is niet bevoegd later de betaling daarvan te ontvangen. — H. R. 18 November 1892, concl. conf. (met bevestiging gemelde uitspr. Roermond en 's-Hertogenbosch); W. 6269; W. v. N. R. 1218; P. v. J. 1893, 7; v. d. H., B. R. LVIII, 397; N. R. CLXII, 211; T. v. N. X, 328.

Sluiten