Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2067. Pandrecht op hypothecaire schuldvorderingen, een gevaar voor derden? (Naar aanleiding van gemeld arr. H. R. over de fout, die in ons B. W. is geslopen, n.1. dat ons B. W. niet heeft voorgeschreven, dat cessie en in pandgeving van hypothecaire schuldvorderingen niet tegen derden werken, zoolang daarvan niet uit de openbare registers blijkt). — Not. W. 201 en 202.

Vg. Th. Limperg Jr. Rechtsvraag in W. v. N. R. 1981, met onderschrift der Redactie.

2068. Wanneer hypotheekgrossen en schuldbekentenissen zijn in pand gegeven mag het er voor gehouden worden, dat het de bedoeling was, de schuldvorderingen in die titels omschreven, in pand te geven. — Hof 's-Gravenhage 27 Juni 1892; W. 6208; W. v. N. R. 1188; P. v. J. 1892, 76; R. W. v. N. 745 (met vernietiging Rechtb. Zierikzee 17 Maart 1891; W. 6042). Vg. Rechtb. Arnhem 22 Maart 1894; W. v. N. R. 1270.

2069. Ook een voorwaardelijke schuldvordering kan in pand worden gegeven op de wijze, voorgeschreven bij dit artikel. De kennisgeving in dit artikel bedoeld, is alleen voldoende tot vestiging van het pandrecht op eene schuldvordering. — Hof Amsterdam 4 Juni 1897; W. 7028; P. v. J. 1898,2; T. v. N. XV, 382.

2070. Pandrecht kan worden gevestigd op eene toekomstige zaak en bestaat, indien eenmaal de kennisgeving, bedoeld in dit artikel heeft plaats gehad, van het oogenblik waarop die inschuld ontstaat. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 6 November 1903; W. 8042; W. v. N. R. 1795; Not. W. 240; P. v. J. 1904, 387.

2071. Prof. mr. H. J. Hamaker. Het pandrecht op eene schuldvordering. — W. v. N. R. 1519, 1520, 1521 en 1524.

2072. P. Th. A. Hermsen. Verpanding van hypothecaire inschulden. — Ac. Pr. Amsterdam 1894.

2073. De kennisgeving in dit artikel bedoeld, moet niet geschieden aan hem, tegen wien het pandrecht moet worden uitgeoefend, maar aan hem, tegen wien het in pand gegeven recht moet worden uitgeoefend. Voor die kennisgeving is geen vorm voorgeschreven; ten onrechte beroept men zich er op, dat het exploit, waarbij de kennisgeving is gedaan niet overeenkomstig art. 4 R.v. is beteekend. Die kennisgeving behoeft niet uit te gaan èn van den pandgever èn van den pandverkrijger; de omstandigheid, dat de pandgever na de inpandgeving failleerde, staat daarbij evenmin in den weg, als de bepaling van art. 35 der Faillissementswet, welk artikel niet spreekt van pandrecht en analogice niet toepasselijk is. -- Rechtb. 's-Gravenhage

26 October 1898; W. 7241.

2074. Pandrecht op een op naam staand aandeel in eene naamlooze vennootschap is onbestaanbaar zonder beteekening van dat recht aan de vennootschap. — Rechtb. Rotterdam 24 October 1900; W. 7536; W. v. Not. 74.

2075. De in art. 1199 B. W. bedoelde kennisgeving der verpanding is het middel om het pandrecht tot stand te doen komen. — Rechtb. Rotterdam

27 Mei 1908; W. 8816; W. v. N. R. 2062.

Art. 1200.

2076. Pandrecht op inschulden geeft niet onvoorwaardelijk de bevoegdheid om als cessionaris de inschuld in te vorderen. — H. R. 18 Januari 1889; W. 5666; P. v. J. 1889, 16; N. R. CLV, 41; v. d. H., B. R. LV, 34; W. v. N. R. 1008; R. W. v. N. 643; N. M. v.H. I, 180.

Sluiten