Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2077. Het beding, bij eene pandovereenkomst gemaakt, waarbij de pandhouder door den pandgever onherroepelijk wordt gemachtigd de betaling van de in pand gegeven schuld te ontvangen en daarvoor kwijting te geven, en de pandgever, zooveel noodig, den schuldenaar onherroepelijk heeft gemachtigd daaraan gevolg te geven, is niet met de wet in strijd, en de schuldenaar der inschuld is tengevolge van de hem gedane kennisgeving daaraan gebonden. In dit beding is niet opgesloten een toeëigening bij dit artikel verboden, daar de pandgever eigenaar blijft van de inschuld en het recht van den pandnemer tot innig zich niet verder uitstrekt dan tot uitvoering van de machtiging tot inning waardoor de pandnemer verbonden is tot rekening en verantwoording aan den pandgever en om dezelfde reden staat dat beding evenmin gelijk met een overdracht der schuldvordering. Zoodanige machtiging vervalt niet door het faillissement des pandgevers, daar die machtiging een deel uitmaakt van het verleende pandrecht en de pandhouder alle zijne rechten kan uitoefenen, evenals of geen faillissement bestaat. — H. R. 25 Februari 1898, concl. conf.; W. 7090; W. v. N. R. 1483; P. v. J. 1898, 21; v. d. H., B. R. LXIV, 72; N. R. CLXXVIII, 243; N. M. v. H. 240; T. v. N. XV, 385.

2078. De pandhouder een er inschuld mist de bevoegdheid die inschuld zelf te innen. Ook de rechter is niet bevoegd hem die macht te verleenen. — Rechtb. Utrecht 27 Juni 1894; W. 6519; W. v. N. R. 1287.

2079. Bij geen enkele wettelijke bepaling is aan den blooten pandhouder van papier aan toonder (coupons) het recht verleend om van dengene, te wiens laste dat papier is uitgegeven, betaling te vragen of zich in diens faillissement

Cbjemers, Aant. B. W.

te doen erkennen; dit recht vloeit evenmin uit den aard van het pandrecht op dergelijke stukken voort. — Rechtb. Rotterdam 14 Februari 1907; W. 8472; W. v. Not. 79.

2080. De pandhouder is krachtens zijn pandrecht alleszins bevoegd om de vrijwillige betaling der hem in pand gegeven schuld in ontvangst te nemen, daar dit als eene eenvoudige daad van beheer moet worden aangemerkt. — Rechtb. Rotterdam 23 Maart 1891; W. 6079; W. v. N. R. 1141; P. v. J. 1891, 66; R. W. v. N. 726. In gelijken zin Hof Amsterdam 4 Juni 1897; W. 7028; P. v. J. 1898, 2; T. v. N. XV, 382.

2081. Indien bij de verpanding eener inschuld volmacht is gegeven om deze te innen, dan is dat recht tot inning een zelfstandig recht des pandnemers, geen lastgeving, die door faillissement des pandgevers komt te vervallen. — Hof Amsterdam 29 Juni 1894; W. 6565. Rechtb. 's-Hertogenbosch 6 November 1903; W. 8042; W. v. N. R. 1795; Not. W. 240; P. v. J. 1904, 387.

2082. Een beding, dat het pand bij niet voldoening der schuld zal strekken tot betaling, is niet voor beide partijen, maar slechts voor den pandhouder nietig. — Rechtb. Assen 2 October 1893; W. 6401; R. W. v. N. 785.

2083. De vordering tot betaling der inschuld door den pandhouder ingesteld, moet worden toegewezen, indien de mede in het geding geroepen pandgever zich heeft gerefereerd. — Hof Amsterdam 17 Mei 1895; W.6703; W. v. N. R. 1361.

2084. Dit artikel belet niet, dat een pandgever aan den pandnemer het pandobject in betaling geve en dat deze verplicht kan zijn dat pand-object in betaling aan te nemen. — Rechtfï! Rotterdam 18 December 1905; "W. 8465.

28

Sluiten