Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In denzelfden zin Rechtb. Rotterdam 7 Februari 1896; W. 6793; P. v. J. 1896,94.

82. Wanneer een huurder denzelfden dag, waarop hij tot betaling der huur gesommeerd wordt, deze aanbiedt, dan kan hij niet geacht worden door die sommatie in verzuim te zijn gesteld. — Rechtb. Amsterdam 3 April 1900; W. 7525.

83. De bepaling in de huurovereenkomst van den dag, waarop de huur moet worden betaald, heeft nog niet ten gevolge, dat de huurder door het enkele feit, dat hij op dien bepaalden dag niet betaalde, in gebreke is — Rechtb. Leeuwarden 27 October 1904; W. 8164.

84. Het feit, dat bij eene sommatie te veel wordt gevorderd, ontneemt aan eene sommatie hare kracht niet, wanneer vaststaat, dat de gesommeerde zeer goed weet, wat van hem gevraagd werd en niets deed wat noodig was om te voldoen wat hij schuldig was. — Rechtb. Tiel 20 December 1907; W. 8835.

85. Wanneer een kooper, na tot levering binnen een bepaalden tijd te hebben gesommeerd, nogmaals na afloop van dien tijd vraagt of de ver kooper tot levering bereid is, kan die latere vraag wel tot gevolg hebben, dat de bij eerste sommatie voor de levering gestelde termijn wordt verlengd, maar niet, dat die sommatie ongedaan wordt gemaakt. — Hof Arnhem 12 November 1902; W. 7900.

86. Bij een koopcontract, waarbij is bepaald dat de kooper van niemand anders dan van den verkooper mag betrekken en naar behoefte moet bestellen, kan als a priori vaststaande worden aangenomen dat niet-uitvoering

eener bestelling voor den kooper nadeel doet ontstaan en dus de verkooper door zoodanige bestelling in gebreke kan worden gesteld. — Hof's-Hertogenbosch 15 October 1901; W. 7672.

87. Waar de vraag, aan wien betaald moet worden, voor tweeërlei uitlegging vatbaar is, kan niet worden aangenomen, dat de schuldenaar in mora is, door aan geen der partijen die aanspraak maken op de betaling, te betalen. — Rechtb. 's-Gravenhage 4 Februari 1902; W. 7805.

Derde Afdeeling.

Van verbindtenissen om iets te doen of niet te doen.

Art. 1275.

88. Uit dit artikel volgt, dat voor het feit, de schadevergoeding wegens het niet verrichten van het feit in de plaats treedt; het is dus onaannemelijk te beweren, dat evenwel de vordering alleen strekkende tot praestatie van het feit door den rechter moet worden toegewezen. — H. R. 28 Januari 1881; W. 4601.

89. De vordering, waarbij gevraagd wordt de veroordeeling tot het plegen van een daad zonder eisch tot schadevergoeding bij gebreke van uitvoering, is niet-ontvankelijk. — Hof's-Hertogenbosch 23 Mei 1882; W. 4819.

90. Het is niet verboden om een voorwaardelijke veroordeeling tot schadevergoeding uit te spreken voor het geval, dat aan een veroordeeling om iets te doen niet wordt voldaan. — H. R. 18 Juni 1886; W. 5312; N. R. CXLIII, § 34, 266; v. d. H., B. R. Lil, '262; W. v. N'. R. 893; R. W. v. N. 569.

91. De schuldenaar eener verbintenis

Sluiten