Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten tijde van het dicht liggen van het vaarwater door vorst, strekkende oiu na het open worden van het vaarwater een schip binnen zeer korten tijd weg te slepen, levert de groote drukte in de haven, ontstaan na het open worden van het water geen overmacht op, waardoor niet-nakoming der overeenkomst zou kunnen gerechtvaardigd worden. Rechtb. Rotterdam 11 December 1901; W. 7781.

157. Overmacht bestaat niet alleen dan, als er iets geschiedt door een hoogere dan menschelijke macht, maar ook als zich een menschelijke macht boven ons plaatst, wanneer men goed, schiks of kwaadschiks moet toegeven. Dit is het geval als het hoofd der politie iemand dwingt tot afgifte van eenig goed, ook al mocht dat hoofd daartoe niet bevoegd zijn. — Rechtb. Amsterdam 28 Juni 1895; W. 6699; P. v. J. 1895, 85; N. M. v. H. VII, 293.

158. In het algemeen kan de noodzakelijkheid van reparatiën aan een stoomschip op zich zelf niet als overmacht, waardoor het niet-tijdig afvaren van een stoomschip is veroorzaakt, gelden. Immers reparatiën van een stoomschip behooren tot de gewone steeds voorkomende belemmeringen in het gebruik daarvan. Oponthoud voor reparatiën kan alleen dan als overmacht gelden, als de reparatiën onvoorzien waren of wel het gevolg van een onvoorzien toeval. — Rechtb. Amsterdam 29 April 1898; W. 7207; P. v. J. 1898, 77.

159. Terecht beroept een spoorwegmaatschappij zich op overmacht, als zij een met particulieren aangegane overeenkomst tot het daarstellen van een spoorwegstation niet nakomt, omdat haar zulks door de regeering verboden is. — Rechtb. Amsterdam 27 Juni 1899; P. v. J. 1899, 85.

160. Een beroep op overmacht, waarin zonder eenige nadere omschrijving gesteld wordt gebrek aan kolen, abnormale koude en daarmede in verband staande lage waterstand rechtvaardigt niet nalatigheid in de levering van bestelde en te leveren aangenomen goederen. — Rechtb. Amsterdam 18 April 1902; W. 7811.

161. Voor een vervoerder zijn de verplichtingen op hem rustende krachtens eene vroegere overeenkomst in geen geval te beschouwen als overmacht ten aanzien der vervulling eener latere overeenkomst. — Rechtb. Rotterdam 28 November 1906; W. 8656.

Art. 1282.

162. Bij eene aanneming onder strafbeding van een zeker werk op eenen bepaalden datum op te leveren kan de aannemer voor het geval hij daarin verhinderd werd, doordat een derde hem de noodige materialen niet tijdig leverde, niet in den vorm van schadevergoeding de bedongen boete op den nalatigen leverancier verhalen. — Rechtb. Amsterdam 15 December 1899; W. 7433; P. v. J. 1900, 59.

163. Een verkooper van steenkolen, van wien de verkochte kolen niet zijn afgenomen, kan als schadevergoeding voor die wanpraestatie aan zijde des koopers vorderen verrekening van het verschil tusschen den prijs, waartegen hij de kolen verkocht en den marktprijs op den dag, dat de wanpraestatie des koopers kwam vast te staan. Rechtb. Rotterdam 14 Maart 1900; W. 7496.

In denzelfden zin Hof Arnhem 26 April 1905; W. 8382.

164. De verhuurder in gebreke blijvende om het verhuurde pand overeenkomstig zijne verplichting behoorlijk te

Sluiten