Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar naar den maatstaf van de vermoedelijke verkoopwaarde der huizen. — Rechtb. 's-Gravenhage 15 Januari 1901; W. 7634.

172. Berekening der schadevergoeding verschuldigd ingeval van niet-levering van verkochte effecten. — Rechtb. Amsterdam 2 Mei 1902; W. 7827.

173. Voor berekening eener schadevergoeding bewijst eene beursnoteering op zich zelf niet, dat voor den prijs in die noteering vermeld, inderdaad verkocht had kunnen worden. — Hof 's-Gravenhage 12 November 1906; W. 8480; P. v. J. 1907, 662; W. v. Not. 140.

174. Eene vordering tot schadevergoeding is onbestaanbaar zonder bewijs, dat schade geleden is; vermits wijders nergens in de wet geschreven staat, dat niet-nakoming eener overeenkomst per se en altijd schade aan de wederpartij veroorzaakt, zoo verdraagt zich volkomen met de beslissing, dat eene overeenkomst niet is nagekomen de ontzegging der vordering tot schadevergoeding bij gebreke van elk geleverd of beproefd bewijs. — H. R. 9 Februari 1906; W. 8336; P. v. J. 1906,520; N. R. CLVI, 196.

175. De artt. 1282-1284 B. W. missen, als regelende de vergoeding van kosten, schaden en interessen, voortspruitende uit het niet-nakomen eener verbintenis in een geval waarin het geldt schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, rechtstreeksche toepassing. — H. R. 28 December 1906, concl. conf.; W. 8477, P. v. J. 1907, 611; W. v. N. R. 1949, N. R. CCIV, 336.

Art. 1283.

176. Een fabrikant zich verbindende om zijn fabrikaat tegen eenen vasten termijn te leveren aan een tusschen-

persoon, handelaar in dat fabrikaat moet weten, dat de levering binnen dien termijn voor zijn afnemer van groot belang kan zijn en dat deze door overschrijding van den leveringstermijn groot nadeel kan lijden. Hij is derhalve gehouden de schade te vergoeden geleden door overschrijding van den leveringstermijn. — Hof Amsterdam 25 October 1901; W. 7708; P. v. J. 1902, 180. Cassatie verworpen H. R. 13 Mei 1902, concl. conf.; W. 7772; P. v. J. 1902, 180; N. R. CXCI, 128.

Art. 1286.

177. Joh. M. Jolles. Wettelijke interessen. — Ac. Pr. Amsterdam 1893. Aang. door mr. N. K. F. Land in P. v. J. 1893, 63 en R. M. XIII, 124.

178. Moratoire interessen zijn wel verschuldigd door den Staat bij terugvordering van onverschuldigd betaalde belasting, maar niet door den belastingschuldige, die te weinig betaalde. — Rechtb. Leiden 6 Juni 1876; W. 3996; W. v. N. R. 352; P. W. 6467; R. W. v. N. 278. Bevestigd door H. R. 2 Februari 1877; W. 4082; W. v. N. R. 391; P. W. 6467; R. W. v. N. 292.

179. Rente, als poena morae bedongen, is uit haren aard verschuldigd zoolang de mora voortduurt, dat is tot de betaling der hoofdschuld, ook dan, als tengevolge van het tijdelijk stilzitten van den schuldeischer het definitief rente-bedrag is verhoogd. — Hof Amsterdam 2 November 1883; W. 5000; P. v. J. 1884, 16.

180. Indien een vordering eerst pendente lite is ingetreden, kunnen de renten slechts worden toegewezen sedert den dag, dat de schuld opeischbaar is en niet sedert den dag der dagvaarding. — H. R. 20 Februari 1885; W. 5145.

Sluiten