Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R. 1228; T. v. N. XI, 305; R. W. v. N. 781; waarbij vernietigd werd vonnis Rechtb. Arnhem 5 Januari 1893; W. 6326; W. v. N. R. 1228; T. v. N. XI, 30.

264. De homologatie ontneemt aan het accoord niet het karakter van een overeenkomst, daar die bij rechterlijk vonnis bekrachtigde schuldregeling niet tot stand kan komen, zonder dat zij vooraf door den overeenstemmenden wil van den failliet en het door de wet bepaalde aantal zijner schuldenaars is in het leven geroepen. Bij ontbinding van een accoord ten opzichte van een der schuldeischers wegens wanbetaling der procenten moet de schadevergoeding worden bepaald op het bedrag der oorspronkelijke schuldvordering en bij wijze van schadevergoeding worden toegewezen.

— Rechtb. Rotterdam 13 November 1893; W. 6460; P. v. J. 1894, 31; W.v. N. R. 1268.

265. Art. 1302, al. 3 B. W. laat geene uitzondering toe, wat er ook bij veilconditiën moge overeengekomen zijn; de verkooper kan niet tot herveiling overgaan, indien niet vooraf de vorige koop door den rechter ontbonden is verklaard.

— Rechtb. Amsterdam 2 Maart 1880; W. 4563; vernietigd door Hof Amsterdam 11 Maart 1881; N. R. B. 1881, A. 99; W. 4661; W. v. N. R. 609. Zie ook R. A. X 87.

266. Het beding in de veilconditiën, dat de verkooper bij wanbetaling tot herveiling zal mogen overgaan, belet niet, dat de verkooper ook volgens dit artikel ontbinding der koopovereenkomst mag vragen, ook al heeft hij bij de sommatie tot betaling den kooper aangezegd van zijn recht van her veiling gebruik te zullen maken. — Rechtb. Amsterdam 28 April 1892; W. 6209; P.

v. J. 1893,33; W. v. N. R. 1187; R. W. v. N. 750.

267. Eene overeenkomst op vordering der eene partij in conventie ontbonden verklaard kan ook op vordering der andere partij in reconventie ontbonden worden verklaard. — Rechtb. Breda 31 Maart 1908; W. 8829; W. v. Not. 194.

268. Toewijzing der vordering tot ontbinding eener overeenkomst in conventie, maakt diezelfde vordering in reconventie niet ontvankelijk. — Rechtb. Rotterdam 15 Maart 1899; W. 7353.

269. Het uitstel in dit artikel bedoeld behoort te worden toegestaan, als de overtreding der overeenkomst gering is, partijen in dergelijke overtredingen vroeger geen bezwaar zagen en de nietnakoming der overeenkomst haar grond vond in een verschil, waarin de nalatige wel ongelijk had, doch waarin zijne houding toch verklaarbaar is en de ontbinding der overeenkomst onevenredig ernstige gevolgen zou hebben. — Hof 's-Gravenhage 21 Maart 1899; W. 7284; P. v. J. 1899, 65.

270. Van een délai de grüce kan geen sprake zijn, als niet vaststaat, dat de krachtens dat uitstel te verrichten praestatie overeenkomstig de verzuimde verplichting is. — Hof Arnhem 24 Mei 1899; W. 7339.

271. Waar vaststaat, dat de schuldenaar niet uit onwil of onmacht, maar omdat hij te goeder trouw meende daar toe niet gehouden te zijn, zijne verplichtingen niet is nagekomen, bestaat grond om hem een délai de grace toe te staan. — Rechtb. Roermond 6 Maart 1902; W. 7772.

272. Wanneer op eene sommatie tot

Sluiten