Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aansprakelijk stellen, zijn op die verbintenis toepasselijk de bepalingen van het B. W. over borgtocht, niet die, welke handelen over hoofdelijke verbintenis. Waar één van zoodanige borgen na eene aanmaning de schuld betaalt, kan hij niet op grond van art. 1438, 3° B. W. de helft van den ander terugvorderen, tenzij ook deze tot betaling door den crediteur was aangemaand. — Rechtb. Rotterdam 17 December 1892; W. 6290; P. v. J. 1893, 23; W. v. N. R. 1221; R. W. v. N. 760.

353. Indien door den eischer wordt gevraagd hoofdelijke veroordeeling van in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenooten ter zake van een schuld door een hunner vóór het huwelijk aangegaan, dan zou dit, indien moet worden aangenomen, dat die hoofdelijke veroordeeling ten onrechte is gevraagd, wel kunnen leiden tot ontzegging van een deel der vordering, doch nimmer tot niet-ontvankelijk-verklaring in die vordering, omdat de eischer de bevoegdheid heeft om die vordering aldus in te stellen. — Rechtb. 's-Gravenhage 1 April 1896; W. 6794.

354. Wanneer een derde aanneemt eens anders schuld te voldoen, echter zonder opheffing der betalingsplicht van dien ander, dan ontstaat er eene hoofdelijke verbintenis aan zijde der schuldenaren. —■ Hof Arnhem 9 Mei 1906; W. 8522; W. v. Not. 93.

Art. 1318.

355. Mr. J. M. Nap. Art. 1318 eerste lid B. W. — R. M. XXVII, 276.

Art. 1319.

356. Aan de uitdrukking dat iemand zich verbindt, „tot solidairen borg en principalen debiteur" is niet de betee-

kenis te hechten dat zoodanige debiteur de toepassing van de bepalingen omtrent hoofdelijke schuldenaren kan vorderen, maar dat hij als borg ten aanzien der schuldsplitsing, ook nog krachtens dit artikel is verstoken van de exceptiën van uitwinning en schuldsplitsing, die in den regel aan borgen toekomen. — Rechtb Alkmaar 10 Maart 1892; W. 6164.

357. Het bij dit artikel toegekende recht van keuze kan niet werken, zoolang geen verschuldigd bedrag vaststaat. Een beroep op dit artikel ten einde te wettigen het feit, dat men een medevoogd zonder de moeder-voogdes in rechten heeft geroepen tot het doen van rekening en verantwoording, gaat daarom niet op. — H. R. 9 Juni 1893; W. 6358.

Art. 1323.

358. Indien aan een schuldeischer als partij, tegen den hoofdschuldenaar de eisch is ontzegd, op grond, dat de schuld niet is bewezen en dus op grond van een exceptie, die niet alleen den persoon van den schuldenaar betreft, maar de schuld zelve raakt, kan de borg zich evenzeer als de hoofdschuldenaar op het gezag der gewijsde zaak beroepen. Hetzelfde moet ten aanzien van hoofdelijke mede-schuldenaren worden aangenomen. — H. R. 10 April 1874; W. 3714; v. d. H., B. R. XXXIX, no. 1401, 274; N. R. CVI, § 39, 355; N. R. B. 1874, 319.

359. Wanneer feitelijk vaststaat, dat een man toetrad tot eene reeds bestaande enkel zijne vrouw betreffende schuld, dan moet als gevolg daarvan worden aangenomen, dat wat den aard en het bedrag der schuld aangaat, de schuldeischer tegen den man tot geene andere of meerdere bewijzen gehouden kan zijn dan tegen zijne vrouw zouden noodig

Sluiten