Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terugbetaling voor verdeeling vatbaar. Uit de deelbaarheid der zaak, die het onderwerp der verbintenis uitmaakt en uit het beginsel der wet volgt, dat aan ieder der oorspronkelijke schuldeischers een gelijk deel in de schuld moet worden terugbetaald, zoolang van eenig daarmede strijdig belang niet is gebleken. — H. R. 9 December 1898 concl. conf. W. 7216; P. v. J. 1899, 1; v. d. H, B. R. LXIV, 445; N. R. CLXXX, 287.

371. De verbintenis tot het doen van rekening en verantwoording is ondeelbaar; mitsdien is ieder der belanghebbenden gerechtigd, hare uitvoering voor het geheel te vorderen. —Hof Leeuwarden 24 Mei 1899; anders Rechtb. Leeuwarden 29 September 1898; P. v. J. 1899, 47.

372. Erfgenamen kunnen van den schuldenaar des erflaters hun aandeel in de schuld opvorderen. — Rechtb. Leeuwarden 27 November 1884; N. R. B. & Bijb. 1888, B. 277.

373. De schuldeischer eener opeischbare schuldvordering is bevoegd, deze ten allen tijde van zijn schuldenaar op te vorderen, welke bevoegdheid eveneens toekomt aan de erfgenamen van den schuldeischer, ieder voor zijn aandeel, daar deze bij diens overlijden dadelijk zijn getreden in diens rechten, en eene verbintenis ten aanzien van de erfgenamen van den schuldeischer ingevolge de wet deelbaar is. — Rechtb. Roermond 26 Januari 1899; W. 7294.

Art. 1333.

374. De verplichting tot vergoeding van schade aan de tijdens de dagvaarding nog onverdeelde nalatenschap, is eene ondeelbare verbintenis ex lege. Die ondeelbaarheid staat het vorderen dier vergoeding door één der deelgerechtigden

tot de nalatenschap niet in den weg.— Rechtb. Amsterdam 7 Januari 1896; W. 6763.

Art. 1335 (1).

375. Wel kan een reconventioneele eisch tot betaling eener geldsom worden ingesteld tegen eenige der erfgenamen ieder voor zijn aandeel, maar die eisch zal niet ontvankelijk zijn als daartegenover staat de ondeelbare verplichting tot eigendomsoverdracht aan de gezamenlijke erfgenamen. — Hof Amsterdam 16 October 1885; W. 5290; R. W. v. N.

565; P. v. J. 1886, 27.

376. Dit artikel mist alle toepassing, waar de deelbaarheid der verbintenis van het begin af heeft bestaan tengevolge van de pluraliteit van schuldeischers bij een verbintenis, waarvoor het onderwerp voor verdeeling vatbaar is. — H. R. 9 December 1898, concl. conf.; W. 7216; P. v. J. 1899,1; v. d. H., B. R. LXIV, 445; N. R. CLXXX, 287.

377. Dit artikel verbiedt om tegen den wil van den schuldenaar alleen het kapitaal te vorderen en de vordering der rente tot later te reserveeren. — Rechtb. Breda 20 Februari 1900; W. 7490; W. v. N. R. 1613; Not. W. 56.

378. Eene inschuld is uit haren aard deelbaar en is als zoodanig van rechtswege tusschen de erfgenamen verdeeld naar evenredigheid van het aandeel waarvoor zij erfgenamen zijn. Hieruit volgt, dat iedere erfgenaam, zonder dat deswege eene scheiding heeft plaats gehad, zijn aandeel in die schuld kan vorderen, daar de rechten en verplichtingen van den erflater onmiddellijk op de erfgenamen overgaan. — Rechtb. Utrecht 20 Maart 1901; W. 7629; Not. W. 107.

(1) Vgl. aant. 1886—1895 Deel II.

Sluiten