Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

379. Dit artikel strekt voornamelijk, om de verbintenis der oorspronkelijk verbondenen buiten het bereik der overige regeling omtrent deelbare en ondeelbare verbintenissen te stellen; allerminst echter om te verhinderen, dat als de schuldenaar eener geldsom verbonden is tot hare terugbetaling aan twee schuldeischers en hij door' hen hiertoe is aangesproken geene bezwaren tegen het terugbetalen van zeker gedeelte aan ieder van hen opwerpt, de door den rechter bevonden overeenstemming van aller wil op dit punt niet door hem zou mogen geëerbiedigd worden, alleen omdat die rechter bij zijn onderzoek naar het bestaan van hun vorderingsrecht bevond, dat de aanspraak van den eenen verder strekt dan hetgeen deze geëischt heeft. — H. R. 27 December 1907 concl. conf. W. 8638; P. v. J. 1908, 766; N. R. CCVII, 383.

Art. 1336.

380. De uitzondering op de deelbaarheid eener door hypotheek gedekte vordering tusschen de erfgenamen van den schuldenaar is niet toepasselijk, zoolang de boedel nog onverdeeld is. — Rechtb. Amsterdam 4 Februari 1903; W. 7959.

Art. 1339.

381. De vordering van erfgenamen tegen een mede-erfgenaam om de detentie van tot de nalatenschap van hunnen erflater behoorende onroerende goederen te doen eindigen, is niet 'ontvankelijk. Dit klemt te meer, waar de eischende erfgenamen hunne vordering hebben gegrond op een tusschen hunnen erflater en mede-erfgenamen bestaan hebbende huur en verhuur dier onroerende goederen, terwijl de mede-erfgenaam zijn recht van detentie niet meer grondt op nog bestaande huur, maar op een nieuw recht, dat van erfgenaamschap; daarop

is dit artikel niet toepasselijk. — Rechtb. 's-Gravenhage 18 Maart 1897; W. 6898.

382. De verbintenis tot het doen van rekening en verantwoording is ondeelbaar en mitsdien is volgens den geest onzer wet, ieder der belanghebbenden gerechtigd hare uitvoering voor het geheel te vorderen. — Hof Leeuwarden 24 Mei 1899 met vern. Rechtb. Leeuw, aldaar 29 September 1898; P. v. J. 1899, 49.

383. Een rekenplichtige, wiens verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording ondeelbaar is, kan krachtens dit artikel wel door iederen tot de rekening en verantwoording gerechtigde, daartoe worden genoodzaakt, doch is slechts éénmaal gehouden aan die verplichting te voldoen, en heeft dus het recht te vorderen, dat ook de medegerechtigden daarbij tegenwoordig zullen zijn, althans behoorlijk worden opgeroepen. — Rechtb. Breda 3 Januari 1899; W. 7283.

Tiende Afdeeling.

Van verbindtenissen onder beding van straf of poenaliteit.

Art. 1340.

384. J. C. Boas. De verbintenis met strafbepaling volgens het Nederlandsche Burgerlijk recht. — Ac. Pr. Haarlem 1884.

385. A. Th. J. Schade van Westrum. Verbintenissen met strafbepalingen. Aanteekeningen op artikelen 1340—1348 B. W. — Ac. Pr. 's-Hertogenbosch 1886.

386. J. Duparc. Het beding van de artt. 1340—1348 B. W. — Ac. Pr. Groningen 1888.

387. Waar het strafbeding tot de hoofdverbintenis in alternatieve ver-

Sluiten