Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geene ontbinding daarvan, maar alleen schadevergoeding worden gevraagd. — Rechtb. Amsterdam 14 Juni 1888; W. 5585; P. v. J. 1888, 111.

Art. 1353.

414. H. S. Het woord beding in art. 1353 B. W. — W. v. N. R. 867, en 874, J. M. Art. 1353 B. W. W. v. N. R. 871.

415. J. J. van Troostenburg de Bruijn. De Nederlandsche rechtspraak omtrent overeenkomsten ten behoeve van derden.

— Ac. Pr. Leiden 1892.

416. Mr. M. L. van Goudoever. Enkele opmerkingen naar aanleiding van het beding ten behoeve van een derde. Art. 1353 B. W. — W. v. N. R. 1915.

417. Art. 1353 B W. bevat geenerlei voorschrift omtrent den tijd of de wijze, waarop het beding zou moeten worden aangenomen, zoodat aan de wetsbepaling is voldaan, wanneer slechts de aanneming door den derde is gedaan alvorens het beding door dengene, die het heeft gemaakt, is herroepen. Of dus eerst uit het instellen eener rechtsvordering zelf door den derde blijkt dat het beding door hem is aangenomen, doet niets ter

: zake en speciaal is ongegrond het beweren, dat het beding vóór de dagvaar' ding zou moeten zijn aangenomen. — H. R. 16 Juni 1882; W. 4786.

418. Mr. W. L. P. A. Molengraaff. ] Het recht van den bevoordeelde bij een ' verzekering tot uitkeering bij overlijden.

— R. M. XII, 45.

419. Levensverzekering wordt be! heerscht door art. 1353 B. W. en moet i dus worden beschouwd als beding ten 1 behoeve van een derde. Eerst door de ' verklaring van den derde belanghebbende

om van het beding gebruik te maken, afgelegd na den dood van hem op wiens leven verzekerd was, is het recht op de uitkeering der bij de polis bepaalde som verkregen. — Rechtb. Utrecht 31 Maart 1886; W. 5274; W. v. N. R. 854; T. v. N. VI, 46; P. v. J. 1886, 18, 21; R. W. v. N. 566.

420. Indien iemand bij een levensverzekering zijne erfgenamen heeft aangewezen als degenen aan wie na zijn overlijden de verzekerde som moet worden betaald, zijn de erfgenamen door die aanwijzing te beschouwen als derden voor wie een beding krachtens dit artikel gemaakt werd. Zij ontvingen, dus de vastgestelde som niet in hunne qualiteit van erfgenamen, maar als derden door den erflater aangewezen om een som te ontvangen, die nooit in diens boedel was aanwezig geweest en dus

. geen deel van zijn nalatenschap kan uitmaken. — Rechtb. Rotterdam 9 Maart 1891; W. 6049; W. v. N. R. 1138; P. v. J. 1891, 60.

421. Een levensverzekering gesloten ten behoeve der „naaste betrekkingen", moet geacht worden in het belang der vrouw des verzekerden te zijn gesloten. — Rechtb. Leeuwarden 2 Juni 1892; W. 6309.

422. Indien iemand bij een levensverzekeringsmaatschappij zijn koetsier tegen invaliditeit heeft verzekerd, doch zelf altijd de premie heeft betaald, ontleent die koetsier, als hem een ongeluk overkomt, alleen aan de omstandigheid dat zijn naam in de polis voorkomt of aan dit artikel, geen recht op de uitkeering. — Rechtb. 's Hertogenbosch 7 April 1893; W. 6399.

423. De uitdrukking „voorwaarde" in dit artikel moet niet worden opgevat

Sluiten