Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mindering te hebben gedaan. — Rechtb. Amsterdam 19 Februari 1889; P. v. J. ; 1889, 44.

549. Indien de nemer van een orderbiljet staat tegenover den onderteekenaar dan heeft deze de bevoegdheid te bewijzen, dat de afgifte zonder oorzaak heeft plaats gehad. — Rechtb. Amsterdam 4 Maart 1887; P. v. J. 1888, 2.

550. De onderteekenaar van een orderbillet heeft tegenover den nemer de bevoegdheid het bewijs te leveren, dat de afgifte zonder oorzaak heeft plaats gehad. Zoo die onderteekenaar het bestaan van zoodanige oorzaak ontkent, moet de nemer die oorzaak opgeven.

— Rechtb. Amsterdam 27 Maart 1891; P. v. J. 1891, 50; N. M. v. H. III, 193.

551. Een orderbiljet heeft als formeel geschrift met de causa, waaraan het zijn ontstaan te danken heeft, niets te maken.

— Rechtb. Rotterdam 7 Maart 1891; N. M. v. H. III, 190.

In denzelfden zin Kantong. Rotterdam 12 Februari 1892; P. v. J. 1892, 44.

552. De schuldbekentenis door den gefailleerde aan zijn schuldeischer uitgereikt om dezen te bewegen zijne stem te geven tot aanneming van het door den gefailleerde aan te bieden accoord, berust op een ongeoorloofde oorzaak en kan daarom geen rechtsgevolg hebben.

— Kantong. 's-Gravenhage 3 December 1886; W. 5365; R. W. v. N. 580; R. E. en Bijbl. II, D. 171.

553. Een onderhandsche schuldbekentenis als vermelding der schuldoor-

: zaak, enkel inhoudende de uitdrukking „wegens bewezen diensten", is op zich : zelve niet voldoende om het bestaan i eener geoorloofde schuldoorzaak te be¬

1050

wijzen. — Rechtb. Zutphen 16 Juni 1881; W. v. N. R. 697.

554. De woorden „waarde naar genoegen genoten" drukken ondubbelzinnig de oorzaak der obligatie, t. w. geldschuld wegens genoten waarde uit. — H. R. 22 December 1882; W. 4859; N. R. B. 1884, B. 77; R. W. v. N. 462; N. R. CXXXII, 254; v. d. H., B. R. XLVIII, 72.

In denzelfden zin Rechtb. Amsterdam 15 Juni 1899; W. 7402.

555. De akte, inhoudende de verbintenis om een daarin uitgedrukte geldsom aan een bepaald persoon te zullen betalen, met erkenning van genoten waarde, bevat de uitdrukking van een schuldoorzaak, welker valschheid of ongeoorloofdheid door den schuldenaar zou moeten worden bewezen. — H. R. 27 November 1884; R. W. v. N. 529.

556. Eene overeenkomst met eene ongeoorloofde oorzaak moet in haar geheel nietig worden verklaard, ook al komt daar een op zich zelf geoorloofd beding in voor. — H. R. 9 April 1903, concl. conf.; W. 7906; P. v. J. 1903, 276; Not. W. 195; W. v. N. R. 1749.

557. Alvorens te beoordeelen of de oorzaak eener verbintenis geoorloofd is, behoort vast te staan welke oorzaak er bestaat. — H. R. 28 December 1883; W. 4998.

558. De schulderkenning ter zake van onderling in der minne vastgestelde schadevergoeding wegens ontbinding eener overeenkomst houdt niet in eene behoorlijke schuldoorzaak. — Rechtb. Utrecht 15 November 1905; W. 8360; W. v. Not. 35.

559. De erkenning van genoten waarde is tusschen gever en nemer van

Sluiten