Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechten. — Rechtb. Amsterdam 6 April 1894; W. 6595.

637. Van de toewijzing eenerPauliana op grond, dat eene overeenkomst zou zijn gesloten ter bedriegelijke verkorting der rechten van crediteuren kan geen sprake zijn, zoolang niet vaststaat, dat de kooper op het oogenblik van den koop wist, dat de verkooper buiten hem kooper zelf nog meerdere schuldeischers had. — Rechtb. Rotterdam 26 December 1895; W. 6754.

638. Een derde kan niet vorderen de nietigverklaring eener koopovereenkomst, op grond dat hij te voren met den verkooper is overeengekomen om het door dezen verkochte bij voorkeur te mogen koopen. — Rechtb. Rotterdam 6 Maart 1896; W. 6850.

639. Op de actio Pauliana gericht tegen een contract, dat onder vigueur van het oude art. 1377 B. W. gesloten werd, is dit oude artikel toepasselijk.

De oude bepaling eischt evenmin als de nieuwe, dat de partijen zich aan bedriegelijke handelingen hebben schuldig gemaakt, maar stelt zich met benadeeling der schuldeischers tevreden. Dergelijke benadeeling wordt niet weggenomen door het feit dat er borgtocht gesteld is. — Hof 's-Gravenhage 27 November 1899; W. 7371 ; W. v. N. R. 1587; P. v. J. 1900, 8.

640. Voor de toewijzing eener Pauliana is het niet voldoende, dat door de aangevallen handeling de schuldeischers kunnen worden benadeeld, maar moet tevens vaststaan, dat zij er door worden benadeeld; de vordering te dier zake kan dus niet worden toegewezen, wanneer vaststaat, dat ook bij handhaving der aangevallen vordering de schuldeischers uit den boedel des debiteurs ten

volle kunnen worden betaald. — Rechtb. Rotterdam 17 Februari 1902; P. v. J. 1902, 166.

641. Een schuldeischer, die ex art. 1377 B. W. de nietigheid eener boedelscheiding, mede door zijn schuldenaar verleden, inroept, zal moeten aantoonen, dat voor al de deelgerechtigden de aangevallen handeling was onverplicht en dat zij wisten dat benadeeling van den eischenden schuldeischer er het gevolg van zoude zijn. —Hof's-Hertogenbosch 25 Juni 1907; W. 8733; W. v. N. R. 2037; W. v. Not. 166.

Vierde Aedeeling.

Van de uitlegging der overeenkomsten.

Art. 1378.

642. De uitlegging eener overeenkomst behoort uitsluitend tot het gebied van den judex facti; daarop kan in cassatie alleen worden teruggekomen, zoo blijkt, dat de rechter daarbij de wettelijke bepalingen omtrent de uitlegging der overeenkomsten zelve mocht hebben geschonden. — H. R. 28 Juni 1878; W. 4271; v. d. H, B. R. XLIII, no. 1609, 298. Id. 7 Januari 1881; W. 4502. Id. 13 Januari 1882; W. 4592. Id. 18 Mei 1893; W. 6349. Id. 15 November 1894; W. 6580. Id. 31 Januari 1896; W. 6770. Id. 3 Decembsr 19U6; W. 8467; N. R. CCIV, 195. Id. 24 Mei 1907 ; W. 8550; P. v. J. 1907, 656; N. R. CCVII, 148. Id. 24 Juni 1907; W. 8573.

643. De uitlegging der statuten eener bijzondere vereeniging kan in cassatie geen punt van onderzoek uitmaken. — H. R. 20 December 1889; W. 5816; P. v. J. 1890, 8; v. d. H., B. R. LV, 368 ; N. R. CLIII, 388.

644. De uitlegging der algemeene

Sluiten