Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorschriften voor de uitvoering en het onderhoud van werken onder het beheer van het Departement van Binnenlandsche Zaken is een questio facti; de al of niet juistheid daarvan kan niet in cassatie worden onderzocht. — H. R, 25 April 1890; W. 5870; P. v. J. 1890, 64; v. d. H., B. R. LVI, 143.

645. Uitlegging eener overeenkomst op gronden van billijkheid komt eerst te pas, als de overeenkomst zelf omtrent het betwiste punt het stilzwijgen bewaart. — Hof Amsterdam 11 April 1890; P. v. J. 1890, 76.

646. Indien partijen een in geschrift gebrachte voorloopige overeenkomst hebben gesloten en zij het later niet eens kunnen worden over de definitieve overeenkomst, blijft, nu deze niet tot stand komt, de voorloopige overeenkomst voortbestaan. — Rechtb. 's-Hertogenboscli 5 Februari 1886; R. W. v. N. 576. Hof 's-Hertogenbosch 21 September 1888. R. W. v. N. 579.

Art. 1379.

647. De vraag of de bewoordingen eener overeenkomst zoo duidelijk zijn, dat daarbij niet naar de bedoeling van partijen mag worden omgezien, is aan het oordeel van den Hoogen Raad onttrokken. — Nergens is voorgeschreven, dat de rechter bij zijne uitlegging en daarop gegronde rechtspraak uitdrukkelijk rekenschap moet geven, dat hij de bewoordingen eener overeenkomst voor verschillende uitlegging vatbaar heeft geacht en daarom de bedoeling van partijen heeft nagegaan.—H. R. 15 Januari 1897 ; W. 6918; P. v. J, 1897, 30; N. R. CLXXV, 61.

648. Bij den uitleg eener overeenkomst, is de rechter niet gebonden aan

de beteekenis, door een anderen rechter in een ander geding tusschen een der partijen en een derde, aan eenig beding dier overeenkomst gehecht. — Hof Amsterdam 28 October 1898; W. 7215.

649. De rechter is volkomen bevoegd om uit den naam, door een der partijen in een exploit aan een overeenkomst gegeven, een vermoeden te putten omtrent den aard dier overeenkomst — H. R. 22 Juni 1900, concl. conf.; W. 7472; P. v.'J. 1900,56; Not. W. 50; Mb. Dw. XVI, 8.

650. In cassatie kan niet worden onderzocht, of terecht de rechter de woorden eener overeenkomst duidelijk of voor onderscheiden uitlegging vatbaar heeft geoordeeld. — H. R. 4 April 1902; W. 7752.

Art. 1380.

651. Het doet niets af in welken vorm een beding voorkomt in een akte, die niet is overgelegd, als de inhoud van dat beding door partijen wordt erkend. Waar de woorden van het beding twijfelachtig zijn, moet daaraan zoodanige uitlegging worden gegeven, dat het beding eenig gevolg kan hebben. — Rechtb. 's-Gravenhage 30 Juli 1880; W. 4541.

652. In het gedrukt formulier eener overeenkomst stonden gedrukt twee ieder op zich zelf volkomen duidelijke bedingen omtrent rechterlijke competentie ten aanzien van toekomstige geschillen; die bedingen sloten elkander echter beslist uit, zoodat partijen bij het aangaan der overeenkomst hunne keuze moesten doen, bijv. door een dier bedingen in het gedrukte formulier door te halen. Van zoodanige keuze bleek echter niets. Nu moet worden aangenomen dat partijen geen van beide bedingen en dus de gewone rechterlijke bevoegdheid wen-

Sluiten