Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen. In geen geval kan, nu ieder beding op zich zelf volkomen duidelijk was, van toepassing van art. 1380 B. W. sprake zijn. — Hof 's-Hertogenbosch 16 Juni 1908; W. 8746.

Art. 1381.

653. Waar in twee opeenvolgende met elkander in verband staande akten een clausule, regelende de aansprakelijkheid van den schuldenaar voorkomt, moet de laatste akte geacht worden den wil der partijen uit te drukken, al is deze voor den schuldenaar het meest bezwarend. — Rechtb. Arnhem 18 Juni 1894; W. 6521.

Art. 1382.

654. Het is een bestendig gebruikelijk beding in den bierhandel, dat de fusten, waarin het bier wordt geleverd, als in bruikleen verstrekt op de rekening des koopers worden gesteld en dat deze, wanneer de fusten niet aan den verkooper worden teruggezonden, tot betaling van derzelver geldswaarde is verplicht. — Kantong. Middelburg 6 Januari 1902; Mb. Dw. XVIII, 3.

Art. 1383.

655. Bestendig gebruikelijke bedingen kunnen slechts dan gerekend worden stilzwijgend in de overeenkomst begrepen te zijn, als zij niet met het in de wet gehuldigd karakter dier overeenkomst in strijd zijn. — Rechtb. Amsterdam 25 October 1882; P. v. J. 1883, 3, Bijbl.

656. Waar de wet een termijn bepaalt, kan wel de uitgedrukte wil van partijen dien termijn verkorten, maar een gebruik van een korteren termijn kan, waar de wet niet naar zoodanig gebruik verwijst, niet in de plaats der wet worden gesteld. — Rechtb. Rotterdam 26 November 1888; W. v. N. R. 1007.

657. Bestendig gebruikelijke bedingen binden niet, als zij in strijd zijn met de wetten, rakende de openbare orde; voor het overige staat aan het bindende van zoodanige bedingen hunne afwijking van de wet niet in den weg. — Rechtb. Rotterdam 19 April 1890; W. 5865.

658. Het beroep op eene usance komt eerst dan te pas, als vaststaat, dat partijen omtrent de door die usance geregelde materie geen overeenkomst hebben gesloten. — Rechtb. Amsterdam 15 December 1892; W, 6531.

659. Het beroep op eene vaste gewoonte kan nimmer voldoende zijn om aan te nemen, dat aan eenig wettelijk voorschrift door partijen wordt gederogeerd. — Rechtb. Amsterdam 27 September 1895; N. M. v. H., VIII, 85.

660. Een gewoonte, waarvan in ieder geval bij contract tusschen partijen zou zijn afgeweken, kan van geen invloed zijn op de verhouding van partijen. Bewijs van het bestaan dier gewoonte is dus overbodig. — Rechtb. Amsterdam 9 Januari 1896; P. v. J. 1896, 38.

661. Plaatselijke gebruiken zijn niet te beschouwen als de „bestendig gebruikelijke bedingen", waarvan art. 1383 B. W. spreekt. — Rechtb. Middelburg 14 October 1903; W. 8018.

662. Waar tusschen beide partijen vaststaat, dat ten aanzien van den betalingstermijn een bepaald beding is getroffen, zij het ook, dat over den inhoud van dat beding verschil is, daar kan art. 1383 B. W., hetwelk is geschreven voor het geval, dat een beding niet is uitgedrukt, niet toepasselijk zijn. — H. R. 28 December 1906, concl. conf.; W. 8479; P. v. J. 1907, 623; N. R, CCIV, 353.

Sluiten