Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleverd van de dwaling of vergissing waaronder hij onverschuldigd heeft betaald. — Kantong. Middelburg 23 Mei 1892; Mb. Dw. VIII, 3.

711. Ingeval eener condictio indebiti behoeft niet te worden gesteld, dat de onverschuldigde betaling bij vergissing gedaan is. Ook wat onverschuldigd in rekening geleden is, kan bij condictio indebiti worden teruggevorderd. — Rechtb. Breda 2 Januari 1894; W. 6471.

712 Bij onverschuldigde betaling moet worden aangenomen, dat de betaler niet de overtuiging had, dat het betaalde onverschuldigd was, tenzij het bewijs van het tegendeel mocht worden geleverd. Het ontbreken van de overtuiging dat men niets schuldig is, is een element voor de toewijsbaarheid der condictio indebiti. — Hof Leeuwarden 12 Mei 1909; W. 8944.

713. Indien eene schuldplichtigheid, bestaande in de jaarlijksche betaling eener geldsom gedurende 250 jaren door voldoening is erkend, dan zal de schuldenaar, om in de condictio indebiti te kunnen slagen, niet kunnen volstaan met zich te beroepen op des schuldeischers gemis aan titel. Hij zal dan het niet bestaan der schuldplichtigheid moeten bewijzen. — Hof Leeuwarden 8 October 1890; W. 5941.

714. Die zich op onverschuldigde betaling beroept, moet het niet verschuldigd zijn bewijzen. — Hof Amsterdam 11 December 1891; P. v. J. 1.^92, 8.

715. Aangezien iedere betaling eene schuld doet veronderstellen, zal ieder, die het tegendeel beweert, dit moeten bewijzen, vooral als aan het oordeel des rechters wordt onderworpen, de terugvordering eener betaling, waarvan het

bedrag overeenstemt met het debet-saldo eener rekening-courant en de onverschuldigdheid der betaling eerst later wordt opgeworpen. — Rechtb. 's-Gravenhage 14 April 1897; P. v. J. 1897, 44.

716. Mr. N. P. K. Land. Natuurlijke verbintenissen. — R. M. III. 293.

717. J. Verdam. Over natuurlijke verbintenissen in het Nederlandsch recht. — Ac. Pr. Amsterdam 1880.

718. De 2e alinea van dit artikel kan alleen toepassing vinden in het geval, dat de schuldenaar terugvordering verlangt eener natuurlijke verbintenis, waaraan hij vrijwillig heeft voldaan, maar hij, die schuldeischer beweert te zijn, kan zich nooit op die wetsbepaling beroepen om meer te vorderen. — Hof Amsterdam 23 Juni 1882; W. 4850.

719. Het eenige rechtsgevolg, door de wet aan natuurlijke verbintenissen toegekend, bestaat hierin, dat men, vrijwillig er aan voldaan hebbende, die betaling, hoewel in rechten niet verschuldigd, niet als onverschuldigd gedaan kan terugvorderen ; overigens kent de wet aan natuurlijke verbintenissen geen rechtsgevolg, noch rechtsbestaan hoegenaamd toe, waarom ze noch in compensatie gebracht kunnen worden, noch door schuldvernieuwing in een civiele verbintenis omgezet kunnen worden. — Hof Arnhem 1 Maart 1899; W. 7272; W. v. N. R. 1537.

720. Ingeval een accoord tusschen schuldenaar en schuldeischer is tot stand gekomen, blijft voor het onbetaald gedeelte eene natuurlijke verbintenis bestaan, die dezelfde schuldoorzaak heeft als de door het accoord opgeheven schuld ; die natuurlijke verbintenis kan echter geen ander gevolg hebben, dan

Sluiten