Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet met de wet of algemeene rechtsbeginselen, dan ten minste met algemeen geldende beginselen van zedelijkheid en goede trouw. — Rechtb. Groningen 3 Maart 1899. Bevest. door Hof Leeuwarden 23 Mei 1900; P. v. J. 1900, 44.

785. Als onrechtmatig in den zin der artt. 1401 en 1402 B. W. zijn alleen te beschouwen die daad en dat verzuim, die in strijd zijn met des daders rechtsplicht of inbreuk maken op eens anders recht. Mitsdien niet ook datgene, dat, zonder in strijd te zijn met des daders rechtsplicht of inbreuk te maken op eens anders recht, indruischt tegen hetgeen, bij het drijven van zaken, maatschappelijk betaamt. In het bijzonder is dus zoogenaamde „concurrence déloyale" in het algemeen niet als onrechtmatige daad te beschouwen. — H. R. 6 Januari 1905, concl. conf.; W. 8163; P. v. J. 1905, 420; W'. v. N. R. 1841; Not. W. 285; N. R. CXCIX, 46.

786. Onrechtmatige daad en oneerlijke mededinging. — (Naar aanleiding van het arr. H. R. van den 6 Januari 1905); W. 8168.

787. Er is in den vorm van concurrence déloyale eene onrechtmatige daad gepleegd, wanneer de eene concurrent de kennelijke bedoeling heeft om ten eigen bate en tot schade van den ander het publiek te misleiden en in den waan te breftagen, dat het het eene fabrikaat koopt, terwijl het het andere wil koopen. — Hof's-Gravenhage 28 December 1903 ; W. 8187 ; P. v. J. 1904, 320. (Gecasseerd door gemeld arr. H. R. 6 Januari 1905).

788. Aan art. 1401 B. W. moet zoodanige ruime uitlegging worden gegeven, dat onder onrechtmatige daad niet alleen valt eene daad, die door de wet of door een op de wet steunend voorschrift ver¬

1098

boden is, maar daaronder moet ook worden begrepen de zedelijk ongeoorloofde daad, waardoor eens anders recht wordt gekrenkt en schade wordt toegebracht, zoodat hij, die willens en wetens eene zoodanige daad pleegt en daardoor schade veroorzaakt, jegens dien derde, daardoor civielrechtelijk aansprakelijk is. Dit vooropgesteld, valt onder het begrip onrechtmatige daad van art. 1401 deloyale concurrentie, bestaande in het willens en wetens verspreiden van verkeerde en ongunstige meeningen over de waren van een concurrent. — Rechtb. Leeuwarden 24 October 1907; P. v. J. 738.

789. Het verspreiden van een prospectus, waarin men door middel van verzwijging of verminkte mededeeling van ware of voorspiegeling van valsche feiten en omstandigheden het publiek tracht te bewegen tot deelneming in eene op te richten naamlooze vennootschap, moet als onrechtmatig worden aangemerkt. — Hof Arnhem 3 Feoruari 1904; W. 8067; W. v. N. R. 1782 en 1805 en 7 December 1904; W. 8171. (Gecasseerd bij het volgende arr. H. R.).

790. Hoewel het betrachten van omzichtigheid bij financieele raadgevingen, bij name ook in een prospectus houdende uitnoodiging tot deelneming in eene naamlooze vennootschap, plichtmatig van een zedelijk en behoorlijk van een maatschappelijk standpunt is, vormt h^t verzuimen daarvan geen schending eener rechtsplicht. — H. R. 24 November 1905, concl. conf.; W. 8304; P. v. J. 1905, 500; W. v. Not. 13; N. R. CCI, 232 (met bevest. Rechtb. Arnhem 13 October 1902).

791. Voor de actie tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, is noodig, dat de beklaagde handeling verboden is door het stellig recht en

Sluiten