Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebrek aan voorzorgen, zijn werk aan iemand op straat schade berokkent, die schade te vergoeden. — Hof Arnhem 23 Maart 1892; W. 6193. (Bevest. Rechtb. Zutfen 23 April 1891; W. 6021.)

1020. Als iemand door een verwonding blijvend lichamelijk letsel heeft bekomen, maar daardoor geen materieel nadeel ondervindt, welk nadeel alleen mogelijk zou zijn onder toekomstige omstandigheden, waarvan het geheel onzeker is of zij zich ooit zullen voordoen, behoeft aan den verwonde geen schadevergoeding te worden toegekend. — Rechtb. Utrecht 9 Maart 1898; W. 7138.

1021. Slechte en gebrekkige geneeskundige behandeling eener verwonding neemt niet weg, dat degene die haar veroorzaakte, voor alle gevolgen aansprakelijk is. — Rechtb. Leeuwarden 17 November 1892; W. 6331.

1022. Het recht op schadevergoeding van een gekwetste of verminkte vervalt, wanneer hij weigert zich aan eene geneeskundige behandeling te onderwerpen, die zeer waarschijnlijk herstel zou hebben medegebracht. — Hof Amsterdam 24 Januari 1902; W. 7715.

1023. Ingeval van verminking van het kind moet bij de vaststelling der daarvoor toe te kennen schadevergoeding rekening worden gehouden niet alleen met de omstandigheden, in art. 1407 B. W. vermeld, maar ook met de toenemende behoeften van het kind, al naarmate het ouder wordt. — Hof Arnhem 15 April 1908; W. 8811.

1024. Voor de toewijsbaarheid eener actie tot schadevergoeding ex art. 1407 B. W. behoeft niet vast te staan, dat de dader der onvoorzichtigheid, het ongeval, zooals het zich heeft voorgedaan, kon

Cbemebs, Aant. B. W.

voorzien of behoefde te voorzien, zijnde dit een eisch, die door de wet niet wordt gesteld, daar deze immers niets anders vordert, dan dat de kwetsing of verminking door onvoorzichtigheid is veroorzaakt, met andere woorden, dat tusschen het onvoorzichtig handelen en de kwetsing of verminking, die in het leven is getreden, een oorzakelijk verband bestaat. — Hof 's-Gravenhage 29 Maart 1909; W. 8874; P. v. J. 1869.

Art. 1408.

1025. A. P. E. A. Wijnans De burgerlijke rechtsvordering ter zake van laster, hoon of beleediging. — Ac. Pr. Leiden 1883.

1026. D. Bastert. Beschimping van afgestorvenen. —■ Ac. Pr. Utrecht 1886.

1027. H. P. Marchant. Begrip en gevolg van beleediging in het burgerlijk recht. — Ac. Pr. Leiden 1894. Aangek, in R. M. XIII, 589.

1028. Beleediging per telefoon. — W. 4999; R. M. III, 288.

1029. J. D. Tresling. De objectieve zijde van het begrip beleediging. — Ac. Pr. Amsterdam 1895.

1030. Voor de toewijzing eener burgerlijke vordering wegens krenking van eer en goeden naam, is het geen vereischte, dat de daad, welke als beleediging wordt voorgesteld, onder het bereik der Strafwet valt. — Hof 's-Hertogenbosch 20 December 1881; W. 4715.

1031. De ontvankelijkheid der burgerlijke rechtsvordering wegens beleediging is gebonden aan de vereischten, gesteld voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zelfder zake. — Rechtb. Rotterdam

37

Sluiten