Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1229. Wanneer het niet geldt eene zekere zaak, die moet worden geleverd op de plaats, waar zij zich bevindt, is de verkooper niet verplicht te zijner bevrijding het verkochte gerechtelijk aan den kooper aan te bieden, vermits dit artikel, als bevattende eene exceptioneele bepaling niet mag worden uitgebreid. — Rechtb. Groningen 18 October 1901; P. v. J. 1901, 86.

Derde Afdeeling.

Van schuldvernieuwing.

1230. Mr. J. Kappeyne van de Copello. Over de novatie. — Them. 1881, 571.

1231. W. F. Bijleveld. Eenige opmerkingen over schuldvernieuwing. — Ac. Pr. Leiden 1892.

Art. 1449, 1°.

1232. B. Novatie of cessie. (Naar aanleiding van de vraag of het trekken, endosseeren of accepteeren van wisselverbintenissen novatie teweegbrengt.) — W. v. N. R. 1236.

1233. Het door den kooper van handelsartikelen accepteeren van een op hem getrokken wissel tegen overgifte van het cognoscement, zooals door partijen was overeengekomen, doet geen schuldvernieuwingontstaan. — Rechtb. Amsterdam 6 Februari 1885; R. W. v. N. 545; N. R. B. 1885; D. 115.

1234. De inbetalinggeving van wisselof ander handelspapier brengt geen directe en onvoorwaardelijke schulddelging te weeg, maar moet beschouwd worden als een insolutum datio, die eerst dan als finale betaling geldt, wanneer het in betaling gegeven papier met betaling is gehonoreerd; bij wanbetaling blijft de

oorspronkelijke schuld bestaan; het in betaling geven van handelspapier brengt geen schuldvernieuwing teweeg, tenzij de schuldeischer uitdrukkelijk erkent dat door de betaling de oude schuld direct is gekweten. — Rechtb. Zutfen 9 Mei 1889; W. 6076; R. W. v. N. 720.

1235. Door het afgeven van een orderbiljet of het accepteeren van een wissel ontstaat op zich zelf geen novatie. — Rechtb. 's-Gravenhage 4 Januari 1889; W. 5712; R. W. v. N. 652. Dezelfde Rechtb. 12 Maart 1895; W. 6683.

1236. Wel is waar doet het afgeven en het aannemen van een accept voor het bedrag eener bestaande schuld, op zich zelf die schuld nog niet tenietgaan en een nieuw uit dat accept voortspruitende verbintenis ontstaan, maar dit kan wel het geval zijn, als slechts de daartoe strekkende bedoeling van partijen duidelijk blijkt. — Hof Arnhem 20 November 1895; W. 6779.

1237. Door het afgeven en aannemen van een orderbiljet ontstaat er tusschen den acceptant en den nemer geene schuldvernieuwing, maar behoudt deze zijn vordering wegens onbetaalde kooppenningen met den daaraan verbonden voorrang. — Rechtb. 's-Gravenhage 19 Juni 1901; W. 7644; W. v. N. R. 1673; Not. W. 106.

1238. Wisselacceptatie heeft niet per se schuldvernieuwing tengevolge; daarbij moet blijken van den animus novandi bij partijen. — Hof 's-Hertogenbosch 4 Maart 1902; W. 7748; Not. W. 153.

In denzelfden zin Hof Amsterdam 26 Juni 1902; W. 7814. Rechtb.'s-Hertogenbosch 10 Januari 1902; W. 7965. H. R. 16 Januari 1903; concl. conf.; W. 7869; W. v. N. R. 1739; Not. W. 184; P. v. J. 1903, 221; N. R. CXCIII, 83.

Sluiten