Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1890; W. 5935. Rechtb. Haarlem 8 December 1896; W. 6912.

1326. Compensatie heeft alleen plaats bij liquide vorderingen. Eene schuld, die niet erkend wordt, is niet liquide, d. i. niet voor dadelijke vereffening vatbaar. Het bewijsaanbod dienaangaande moet als informeel ter zijde worden gesteld, waar van die „schuld" geen vordering bij reconventie is gemaakt. — Rechtb. Amsterdam 27 April 1893; W. 6424.

1327. Voor vergelijking van schulden die alle een geldsom tot onderwerp hebben, is slechts noodig, dat zij gelijktijdig bestaan en opeischbaar zijn: het bewijs kan bij betwisting door gewone bewijsmiddelen geleverd worden, zonder dat men zijn toevlucht behoeft te nemen tot het doen eener reconventioneele vordering. — Rechtb. Heerenveen 21 April 1893; P. v. J. 1894, 23. Vernietigd door Hof Leeuwarden 14 Februari 1894; W. 6504.

1328. Een geheel ontkende tegenvordering kan niet in compensatie worden gebracht met een vaststaande vordering; zoodanige tegenvordering moet als reconventioneele vordering worden geldend gemaakt. — Rechtb Rotterdam 18 Maart 1895; W. 6643. Hof Amsterdam 11 October 1895; W. 6766.

1329. Er bestaat geen voor dadelijke vereffening vatbare en opeischbare schuld, waar tusschen partijen zelfs het bestaan der schuld, die de eene aan de andere in compensatie wil brengen in het algemeen niet vaststaat. — Hof 's-Gravenhage 30 Juni 1890; W. 5913.

1330. Een schadevergoeding, waarvan niet alleen het bedrag niet vaststaat, maar de verschuldigdheid nog wordt betwist, kan niet in compensatie worden

gebracht. — Hof 's-Gravenhage 18 Mei 1896; P. v. J. 1896, 82.

1331. Slechts een schuld, die erkend of duidelijk bewezen wordt, kan in compensatie worden gebracht. De werking der compensatie van rechtswege is niet in strijd met deze opvatting. — Rechtb. Arnhem 20 Maart 1899; W. 7268; W. v. N. R, 1558. Bevest. door Hof aldaar 3 Januari 1900; W. 7456.

1332. Schuldvergelijking is uitgesloten, als de in vergelijking gebrachte schuld in rechten wordt betwist. — H. R. 5 Mei 1899, concl. conf.; W. 7275; P. v. J. 1899, 43; v. d. H., B. R. LXV, 211; N. R. CLXXXII, 8.

1333. Eene ontkende en onbewezen tegenvordering is niet voor dadelijke vereffening vatbaar en kan derhalve niet in vergelijking worden gebracht. — Rechtb. Almelo 4 Maart 1903; W. 7935; P. v. J. 1903. 250.

1334. Eene geheel onbepaalde en bovendien door de tegenpartij betwiste tegenvordering is niet voor dadelijke vereffening vatbaar en kan derhalve niet in vergelijking komen met eene uit eene bepaalde geldsom bestaande vordering. — H R. 3 April 1903, concl. conf.; W. 7907; P. v. J. 1903, 268; N. R. CXCIII, 500.

1335. In compensatie kan niet worden gebracht eene ontkende en zeer moeilijk te bewijzen vordering. — Rechtb. Breda 2 Januari 1905; W. 8412.

1336. De omstandigheid, dat een gedeelte eener vordering wordt betwist, brengt niet mede, dat ook het andere gedeelte daarvan zou moeten worden beschouwd voor geen dadelijke vereffening vatbaar te zijn. — H. R. 4 Januari 1884; W. 5001; R. W. v. N. 493; N.R. CXXXVI, 1; v. d. H., B. R. XLIX, 116.

Sluiten