Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1337. Al moet dit artikel niet in zoodanigen beperkten zin worden opgevat, dat de compensatie zou worden uitgesloten door de omstandigheid, dat de hoegrootheid of de tijd, waarop de tegenvordering verschuldigd zou zijn, nog niet vaststaat, zoo moet het toch buiten geschil zijn, dat de schuld, die men in vergelijking wil brengen bestaat en dat hij, die de schuldvergelijking inroept, een recht van vorderen heeft. — Rechtb. Rotterdam 27 Juni 1892; W. 6239; P. v. J. 1893, 1.

1338. De bewering, dat een tegenvordering waarop de gedaagde zich beroept, is „onvereffend en illiquide'' alleen omdat de eischer de juistheid daarvan ontkent, gaat niet op. — Rechtb. Amsterdam 15 Juni 1894; W. 6573.

1339. Art. 1463 B. W. verhindert niet eene ontkende schuld in vergelijking te brengen, immers ook zoodanige schuld kan blijken verschuldigd te zijn. — H. R. 15 November 1894, concl. conf.; VV. 6578; P. v. J. 1894, 99; T. v. N. XIII, 32; N. R. CLXVIII, 174; v. d. H., B. R. LX, 326; P. W. 8616.

1340. Een tegenvordering, die door de wederpartij geheel is bestreden, is reeds daarom niet voor dadelijke vereffening en opeisching vatbaar en kan dus ook niet in vergelijking worden gebracht. In het algemeen echter heeft de ontkentenis eener in vergelijking gebrachte vordering niet per se hare nietliquiditeit ten gevolge. — Hof 's-Gravenhage 23 Maart 1896; W. 6886 (met bevest. Rechtb. aldaar 28 Juni 1895; W. 6886).

1341. De enkele ontkentenis eener vaststaande volkomen bewezen schuld kan de compensatie niet beletten. — Rechtb. Zutfen 22 October 1896; VV. 6888.

1342. Enkele betwisting eener tegenvordering belet niet, haar in vergelijking te brengen. Immers zoodanige betwisting kan haar het karakter van liquiditeit niet ontnemen; alleen moet worden nagegaan, of de schuld, die in vergelijking wordt gebracht, zooals zij is gesteld, bijaldien zij mocht worden bewezen, voor dadelijke vereffening en opeisching vatbaar zoude zijn. — Rechtb. Amsterdam 21 Juni 1905; W. 8415.

1343. Ingeval aan de erkentenis eener schuld is toegevoegd, dat zij door compensatie met eene andere daarvoor vatbare tegenvordering is te niet gedaan, wordt het bevrijdend karakter dier bijvoeging niet weggenomen door ontkentenis van het bestaan der tegenvordering door de tegenpartij. Immers de schuldvergelijking kan onafhankelijk zijn van de houding der tegenpartij in een geding. — H. R. 12 April 1907, concl. conf.; W. 8529; P. v. J. 1907, 652; N. R. CCV, 443.

1344. Voor schuldvergelijking wordt vereischt, dat van beide vorderingen het bestaan vast staat en het bedrag bepaald is. Indien de eischer het bestaan der tegenvordering ontkent, kan de gedaagde ter staving van zijn beroep op compensatie niet worden toegelaten om door een verhoor op vraagpunten het bestaan dier vordering te bewijzen. — Rechtb. Arnhem 2 Maart 1881; W. 4695.

1345. Voor de schuldvergelijking wordt vereischt de vatbaarheid voor dadelijke vereffening, zoodat schuldvergelijking is uitgesloten, als de partij, die er zich op beroept om de tegenvordering te bewijzen, de andere partij op vraagpunten wenscht te hooren. — Rechtb. Arnhem 6 Juni 1898; W. 7210.

Sluiten