Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1470.

1354. De kooper van een met een hypothecaire vordering bezwaard onroerend goed, kan die te zijnen laste genomen vordering — die door den hypothecairen schuldeischer reeds aan een ander verbonden was door een inpandgeving, waarmede de schuldenaar, nu verkooper had verklaard bekend te zijn — niet ten nadeele van de rechten des pandhouders in vergelijking brengen met hetgeen de schuldeischer der hypothecaire schuldvordering aan hem schuldig is. — Hof 's-Hertogenbosch 17 Mei 1892; W. 6212; R. W. v. N. 746 (met bevest. Rechtb. Roermond 26 Maart 1891; R. W. v. N. 714). Cassatie verworpen H. R. 18 November 1892, concl. conf.; W. 6269; R. W. v. N. 758.

1355. Het voorschrift van dit artikel is niet toepasselijk, wanneer de derde beslagene wel gelden van den persoon, tegen wien het beslag gelegd werd, onder zich heeft, maar als onderpand voor wat de derde beslagene voor dien persoon als borg zoude moeten betalen. In dat geval kan de derde beslagene, wat hij als borg betaalde, op voorschreven onderpand verhalen, ook al betaalde hij als borg, nadat het beslag werd gelegd. — Rechtb. Amsterdam 17 Februari 1905; W. 8273.

Art. 1471.

1356. Dit artikel is niet toepasselijk, wanneer de schuld, tegenover welke beroep op compensatie had kunnen geschieden, niet is betaald, doch de schuldenaar daarvoor kwijting heeft gegeven, zonder betaling te ontvangen. — Rechtb. Rotterdam 23 Juni 1902; W. 7871; Not. W. 182.

Vijfde Afdeeling.

Van schuldvermenging.

Art. 1472.

1357. M. Pandrecht-schuld vermenging (betreffende de vraag of eene schuldvordering, die door den crediteur aan een derde is in pand gegeven, niettegenstaande het pandrecht, door vermenging te niet gaat, voorzoo ver de schuldenaar later erfgenaam wordt van den schuldeischer). — W. v. N. R. 953.

Naar aanleiding daarvan:

H. v. d. S. in W, v. N. R. 957 en 967.

J. P. V. in W. v. N. R. 960.

Bertling in W. v. N. R. 957, 960 en 964.

M. in W. v. N. R. 961.

(M. en Bertling antwoorden bevestigend, H. v. d. S. ontkennend).

1358. Een man leende vóór ontbinding der gemeenschap geld van zijne moeder; na ontbinding der gemeenschap stierf de moeder; nu gaat die schuld aan wijlen de moeder slechts voor de helft, die in het aandeel des mans van de gemeenschap viel, door schuldvermenging te niet. — Hof's-Hertogenbosch 9 Mei 1899; W. 7380.

Zesde Afdeeling.

Van kwijtschelding van schuld.

Art. 1474.

1359. A. Rambonnet. Kwijtschelding.

— R. en W. XXXIII, no. 4.

1360. G. E. Huijssen van Kattendijke. Kwijtschelding. Artt. 1474—1479 B. W.

— Ac. Pr. Leiden 1884.

1361. Hoewel kwijtschelding niet wordt verondersteld, zoo kan zij toch stilzwijgend geschieden. — Rechtb. Amsterdam 27 Juni 1882; P. v. J. 1882,42 Bijbl.

Sluiten