Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemming van het geleverde met het monster bewijzen, ook al berusten de stalen onder den kooper. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 25 November 1881; W. 4770. Hof Amsterdam 18 Maart 1881; W. 4671. Rechtb. aldaar 9 Februari 1894; W. 6477. Kantong. Middelburg 30 October 1899; Mb. Dw. XV, 9. Hof Arnhem 2 Januari 1907; W. 8494.

1476. Indien het monster bij den verkooper is gebleven en deze de conformiteit beweert, moet hij die bewijzen. — Rechtb. Amsterdam 12 Januari 1883; W. 4878; N. R. B. 1883, 210.

1477. Bij verkoop op monster moet de verkooper de conformiteit aan het monster bewijzen. Men geeft de conformiteit aan het monster niet toe, als men de waar voor een geringeren prijs, dan het monster waard is, koopt. Bij koop op monster gaat de bewijslast op den kooper over, als het geleverde en het monster in het bezit van den kooper zijn. — Rechtb. 's-Gravenhage 20 Juni 1893; W. 6387; N. M. v. H„ V, 237; P. v. J. 1894, 87.

1478. Een kooper op monster moet, als hij beweert, dat het geleverde niet met het monster overeenstemt, het den eischer niet onmogelijk maken om die overeenstemming te bewijzen. — Kantong. Amsterdam no. 1, 18 December 1894; VV. 6598; Mb. Dw. XI, 4.

1479. Ingeval van koop en verkoop op monster moet de verkooper de overeenstemming der geleverde waar met het monster bewijzen. Daarin wordt geen verandering gebracht door het feit, dat de kooper later, d. w. z. na de waar als niet overeenkomstig het monster te hebben geweigerd — ze toch weer koopt en voor het beoogde doel gebruikt. Evenmin kan de verkooper zich van den

bewijslast ontslagen achten, doordat èn monster èn de geleverde waren zich in handen des koopers bevinden; in dit laatste geval kunnen echter deskundigen worden benoemd om de overeenstemming tusschen het monster en de geleverde' waren te onderzoeken. — Hof 's-Gravenhage 11 Juni 1894; W. 6570; P. v. J. 1894, 87.

1480. Bij koop op monster rust, bij ontkentenis van de overeenstemming tusschen het monster en het geleverde, het bewijs daarvan op den kooper. — Hof Amsterdam 10 Juni 1909; W. 8979.

1481. Wanneer in een geval van een verkoop op monster door partijen geene maatregelen zijn getroffen om ten allen tijde de identiteit van het monster te kunnen constateeren, maar de verkooper zich er mede vergenoegd heeft om een monster aan den kooper af te geven, dan heeft de eerste zich geheel verlaten op de goede trouw des laatsten met het gevolg, aan den eenen kant, dat, rijst tusschen partijen geschil over de vraag of de geleverde waar aan het monster voldoet, alsdan de kooper het hem gegeven monster zal moeten produceeren, ten einde daaraan het geleverde te toetsen, en aan den anderen kant, vooreerst, dat, produceert hij een monster, dit dan ook voor het hem gegevene moet worden gehouden, zoolang de verkooper niet bewijst, dat de kooper een ander monster onderschuift, met andere woorden bedrog pleegt, en ten andere, dat, produceert hij geen monster hetzij, omdat hij dit weigert of omdat het door zijne schuld is te loor gegaan, of, produceert hij te kwader trouw een ander monster dan het hem toevertrouwde, alsdan ten gevolge van zijne schuld of kwade trouw het geleverde niet meer aan het monster kan worden getoetst en hiervan het gevolg is, dat hij zijn

Sluiten