Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 1507 B. W. niet van toepassing is. — H. R. 28 December 1883; W. 5000; R. W. v. N. 494; v. d. H., B. R. XLIX, 107; N. R. B. 1884, A. 162; P. v. J. 1884, 22, 23, Bijb.

1537. Voor de toewijzing eener vordering krachtens dit artikel is het niet voldoende, dat niet blijkt, dat het verkochte is de eigendom van den verkooper, maar wordt bepaald het bewijs gevorderd, dat het verkochte is de zaak van een ander. Ingeval het verkochte bij boedelscheiding wordt toebedeeld, kan eers;t na de scheiding, die terug werkt, blijken of de verltooper al of niet zijn eigen zaak heeft verkocht. — Hof Arnhem 25 Februari 1885; W. 5220; R. W. v. N. 549.

1538. De verkoop van een onroerend goed door den hypothecairen schuldeischer krachtens de door hem bedongen onherroepelijke machtiging — na den reeds sinds twee jaren overleden hypothecairen schuldenaar vooraf tot betaling te hebben gesommeerd aan het gekozen domicilie — en dit, terwijl dat onroerend goed de eigendom van een ander was geworden, kan geen grond opleveren tot vernietiging van die openbare verkooping, noch ter zake van beweerd gepleegd bedrog, noch ter zake van verkoop van eens anders goed door den hypothecairen schuldeischer. De vordering tot nietigverklaring van een overeenkomst van verkoop van eens anders goed kan wel opgaan tegen hem, die zich als eigenaar van het verkocht goed heeft gedragen, doch niet tegen hem die zich slechts als gemachtigde van dezen heeft gedragen. — Rechtb. Zwolle 18 Maart 1885; W. 5207; R. W. v. N. 545.

1539 Geen koop van eens anders goed heeft plaats, als goederen zijn verkocht, die zeker en onbetwist aan de auteurs

der verkoopers hebben toebehoord, doch omtrent wier eigendom ten dage van den verkoop onzekerheid kan bestaan uit hoofde van mogelijke rechten door derden daarop in een tijdsverloop van vijftig jaren verkregen, met welke omstandigheid de koopers bekend zijn gemaakt. — Hof Leeuwarden 7 Maart 1888, W, 5597; R. W. v. N. 632.

1540. Uit koop en verkoop van eens anders goed kunnen geen rechten en verplichtingen worden afgeleid. Indien de kooper geweten heeft, dat het goed aan een ander dan den verkooper toebehoorde, dan is hij niet ontvankelijk in zijne vordering tot schadevergoeding.

— Rechtb. Utrecht 6 October 1897; W. 7049; P. v. J. 1897, 84; T. v. N. XVI, 35.

1541. Uit de nietigheid in dit artikel uitgesproken, kan niet worden afgeleid, dat hij, die als verkooper van eens anders goed is opgetreden, zich door een beroep op de nietigheid van de uit de overeenkomst voor hem voortvloeiende verplichtingen zou kunnen ontslaan. Dit volgt reeds uit den verderen inhoud van dit artikel, hetwelk hem onder bepaalde omstandigheden den plicht oplegt van schadevergoeding aan den kooper, die de nietigverklaring vordert, terwijl in het bijzonder zijne verplichting tot vrijwaring uitdrukkelijk volgt uit art. 1527 B. W.

— H. R. 9 December 1898, concl. conf.; W. 7217; P. v. J. 1898, 101.

1542. C. Verkoop van een geheel, mede aan anderen toebehoorend perceel, door een mede-erfgenaam vóór de scheiding. — Not. W. 50 en 52.

1543. Wanneer, meerdere personen in onverdeeldheid eigenaren zijn van eenig vast goed dan is geen hunner bevoegd om dat goed in zijn geheel of voor een

Sluiten