Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den kooper te stellen, wordt dus niet vereischt. H. R. 27 November 1903, concl. conf.; W. 7995; Not W. 223; P. v. J. 1904, 306; N. R. CXCV, 210; N. M. v. H , XV, 268. Hof's-Gravenhage 20 April 1903; W. 7963. (Vgl. nr. 1584).

Art. 1516.

1632. Als bij koop overeengekomen is, dat de verkooper de verkochte goederen op de plaats van aankomst door een bepaald aangewezen derde zou doen afladen, is de verkooper, behoudens het geval van force majeure, verplicht voor die aflading zooals ze is overeengekomen te zorgen; doet hij dit niet dan is de kooper bevoegd ontbinding der overeenkomst te vorderen. — Rechtb. Rotterdam 28 Maart 1891; W. 6026; P. v. J. 1891, 54; Mb. Dw. VIII, 5; N. M. v. H., 181.

1633. Dit artikel bevat geen afwijking van den regel, vervat in artt. 1302 en 1303; ook ingeval van toepassing van dit artikel heeft de kooper de keus tusschen eene vordering tot ontbinding en eene tot nakoming der overeenkomst. — Hof Amsterdam 3 April 1891; W. 6039; P. v. J. 1891, 40; W. v. N. R 1128; R. en W. 1891, 301; R. W. v N. 723; (met bevestiging Rechtb. Utrecht 19 Maart 1890; W. 5872; P. v J. 1890, 28; R. W. v. N. 686).

1634. De wet bepaalt niet, dat waar de kooper ontbinding vraagt van de koopovereenkomst op grond van onvoldoende levering, een voorafgaande in verzuimstelling van den verkooper noodzakelijk is om de actie tot ontbinding ontvankelijk te doen zijn. — Hof's-Gravenhage 8 Februari 1892; W. 6182.

1635. Indien de levering door nalatigheid van den verkooper achterwege

blijft, kan de kooper naar de wet wel de vernietiging van den koop vorderen overeenkomstig de bepalingen van de artt. 1302 en 1303 B. W.. maar hij is niet bevoegd om een reeds door hem in voorschot op den koopprijs betaalde som eenvoudig terug te vorderen, terwijl hij de overeenkomst van koop en verkoop in stand laat. — Rechtb. 's-Gravenhage 6 November 1894; W. 6580.

1636. Een kooper kan de betaling niet weigeren op grond van niet-levering door den verkooper, als die niet-levering het gevolg is van de eigen schuld des koopers en het zich ondanks sommatie niet verklaren omtrent het in zijn keus staande transportmiddel. Een kooper kan, zonder zijnerzijds ontbinding der overeenkomst te vorderen, zich niet aan betaling onttrekken, op grond dat de verkooper zich aan wanpraestatie zou hebben schuldig gemaakt. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 29 Maart 1895' W. 6727; Mb. Dw. XI, 12.

1637. Indien bij een overeenkomst van koop en verkoop een termijn is bepaald, binnen welken de levering van het gekochte moet plaats vinden, is de kooper van zijne verplichting om het gekochte na ommekomst van den gestelden termijn in ontvangst te nemen, ontslagen, indien bij het sluiten dier koopovereenkomst uitdrukkelijk is bedongen of het bepaald in de bedoeling van beide partijen heeft gelegen den laatsten dag van dien termijn als uitersten dag van levering en dus als fatalen termijn aan te nemen, of als ook de verkooper door andere omstandigheden kon weten, dat na verloop van den bij de overeenkomst bepaalden termijn het gekochte door den kooper niet meer zou kunnen aangewend worden voor het doel, waarvoor deze het wilde ge-

Sluiten