Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tin gen op straffe van schadevergoeding. — Hof Amsterdam 6 April 1894 (met bevestiging gemeld vonnis Utrecht); P. v. J. 1894, 73.

1693. Mr. H. S Vrijwaring wegens erfdienstbaarheid? (Naar aanleiding van gemeld vonnis Utrecht. S. meent dat de kooper, waar de verkooper volgens de akte het verkochte geheel onbezwaard" op hem moest overdragen, geen recht op vrijwaring heeft, maar de actie tot nakoming der overeenkomst of tot ontbinding daarvan wegens wanpraestatie aan zijde des verkoopers). — W. v. N. R. 1212.

1694. Mr. N. F. van Nooten. In hoeverre is het een volstrekt vereischte, dat in de akte van koop en verkoop van onroerend goed vermeld worde, dat de kooper het genot zal hebben van de heerschende, zal moeten gedoogen de lijdende erfdienstbaarheden, waarmede het verkochte is bezwaard en dat de verkooper deswege tot vrijwaring ongehouden is? (Naar aanleiding van gemeld vonnis). — T. v. N. X, 395.

1695. Alleen ingeval van uitwinning is de verkooper tot vrijwaring gehouden. Mitsdien maakt de omstandigheid alleen, dat den kooper blijkt, dat het door hem gekochte het eigendom is van een derde of dat anderen daarop rechten hebben, die bij den koop verzwegen zijn, den kooper niet bevoegd tot het vragen van vrijwaring. Dit geldt ook voor het geval geregeld in art. 1538 B. W. — Rechtb. Rotterdam 25 Februari 1907; W. 8575; W. v. Not. 103.

Art. 1540.

1696. O. J. Lee. Over de aansprakelijkheid des verkoopers voor de verborgen gebreken der verkochte zaak. — Ac. Pr. Leiden 1889.

1697. Lod. S. Boas. Verborgen gebreken. — Them. 1908, 426.

1698. Dat een koe, die als kalfdragend verkocht is, later blijkt dit niet te zijn. is geen geval van verborgen gebrek. — Rechtb. Amsterdam 8 Juni 1882; N. M. v. H., I, 360.

1699. Het drachtig zijn van eene verkochte koe kan in het algemeen niet als een gebrek van dat dier in den zin van dit artikel beschouwd worden. Gesteld al, dat het drachtig zijn van een als slachtbeest verkochte koe, als een gebrek daarvan moet worden aangemerkt, dan zou de actie quanti minoris niet gerechtvaardigd zijn, indien aan de dagvaarding het feitelijk middel ontbreekt, dat de kooper de koe kocht als slachtbeest en de verkooper met die bestemming bekend was. — Kantong. Geldermalsen 1 Maart 1889; W. 5751.

1700 Ofschoon drachtigheid bij een koe op zich zelf geen gebrek genoemd kan worden, zoo moet toch, indien met het oog op een bepaald doel een gust beest is gekocht of geconditioneerd en dan een drachtig beest wordt geleverd, deze laatste toestand worden beschouwd als een gebrek in den zin van dit artikel. — Kantong. Appingedam 31 Augustus 1892; P. v. J. 1883, 49; Mb. Dw. IX, 5.

1701. Eene koe, die als kalfdragend verkocht, op den bepaalden tijd een onvoldragen grootendeels gemummificeerde vrucht voortbrengt, klaarblijkelijk reeds vóór den verkoop afgestorven, kan daarom nog niet gezegd worden aan een verborgen gebrek te lijden. — Kantong. Tholen 22 Mei 1S00; Mb. Dw. XVI, 4.

1702. Bij den verkoop eener koe, waarbij geen sprake was van de be-

Sluiten