Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet worden geacht ook te behooren het recht om ontbinding te vorderen van de overeenkomst, waaruit die inschuld is voortgesproten met schadevergoeding; die actie toch komt alleen toe aan den mede-contractant bij eene wederkeerige overeenkomst, die aan de niet-nakoming dier overeenkomst het recht ontleent om óf nakoming dier verbintenis óf ontbinding van het contract te vorderen met schadevergoeding. — Rechtb. Almelo 18 April 1906; W. 8490; W. v.Not.81; W. v. N. R. 1945.

Art. 1570.

1919. Onder onlichamelijke rechten is in dit artikel ook het jachtrecht te verstaan. Bij verkoop van onlichamelijke rechten gelden de algemeene beginselen, in de artt. 1532 vgg. B. W. opgegeven, en dus ook art. 1537 B. W., hetwelk bij gedeeltelijke uitwinning niet den koopprijs, maar de geschatte waarde tijdens de uitwinning tot maatstaf wil hebben genomen. Art. 1571 B. W. spreekt wel van inschulden, maar niet van onlichamelijke zaken als jachtrecht. — Rechtb. Amsterdam 10 December 1877; W. 4216; N. R. B. 1881, A. 110.

1920; Een voorwaardelijke vordering kan — al mogen de rechten van den cedens nog afhankelijk zijn van de vervulling door hem zelf van zekere voorwaarde (het afmaken van een aangenomen werk) — rechtens worden gecedeerd. — Rechtb. Rotterdam 8 Mei 1905; W. 8363; P. v. J. 1906, 518.

Art. 1573. (1)

1921. M. K. J. J. ter Kuile. Verkoop van erfenis. — Ac. Pr. Leiden 1886.

1922. Een verkoop van hetgeen door den verkooper uit een nalatenschap wordt verkregen, hetgeen ten onrechte een verkoop van erfrecht wordt genoemd, geeft den kooper geen zakelijk recht, dat hem in de plaats van den erfgenaam doet optreden alsof hij zelf erfgenaam was, maar slechts een persoonlijk recht tegen den verkooper, tot levering van hetgeen deze uit de nalatenschap verkregen en daarna aan hem verkocht heeft. — Rechtb. Zutfen 23 November 1876, W. 4140; R. W. v. N. 308.

(1) Zie aant. 1050—1053 en 1693 Deel II.

Sluiten