Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1929. Uit den aard van het huurcontract, zooals dit is omschreven in art 1534 B. W. volgt eo ipso, dat met het verstrijken van den tijd, waarvoor het huurgenot is afgestaan, ook ophoudt het recht van detentie van den huurder, zoodat deze, de goederen langer onder zich houdende, reeds daardoor zonder eenig nader beding van partijen inbreuk maakt op zijne contractueele verplichting tot teruggave. — Rechtb. Leeuwarden 27 Februari 1902; W. 7769; Mb. Dw. XVII1, 9.

1930. Een abonnement tot het plaatsen van advertentiën in spoorwegrijtuigen is geen huur en verhuur. — Rechtb. Amsterdam 2 Maart 1888; P. v. J. 1888, 95.

1931. Muurvlakte is een voor verhuring vatbare zaak. — Kantong. Amsterdam IV 20 November 1891; W. 6105.

1932. De overeenkomst, waarbij door de eene partij aan de andere wordt toegestaan een muurvlak met reclames te beschilderen, beplakken of behangen is een contract sui generis en niet eene overeenkomst van huur en verhuur, omdat zij niet past in de bepalingen, die onze wet voor huurovereenkomsten gegeven heeft. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 10 September 1909; W. 8938; W. v. Not. 239. Cassatie verworpen H. R. 27 Mei 1910, concl. conf.; W. 9036; P. v. J. 1910, 963; W. v. N. R. 2129

1933. Mr. S. G. Canes. Schuttingvlakte te huur! — W. v. N. R. 2104 en 2105.

1934. P. van Voorst. Schuttingvlakte te huur. — W. v. N R. 2106. Naar aanleiding daarvan mr. Canes. Idem, — W. v. N. R. 2107.

1935. Het beding, dat de huurprijs zal bestaan in 50 pCt. van de netto winst door den huurder met de exploitatie van het gehuurde te behalen, is niet in strijd met de wet. — Rechtb. Amsterdam 8 Februari 1887; P. v. J. 1887, 43, Bijbl.

1936. Eene huurovereenkomst kan bestaan, ook als de hoegrootheid van den huurprijs nog niet is bepaald. Waar het aangaan eener huurovereenkomst vaststaat, maar nog geen voldoend bewijs van het bedrag der huur is geleverd, is de rechter bevoegd ambtshalve aan een der partijen een suppletoiren eed op te leggen, hetzij om daarvan de beslissing der zaak te laten afhangen, hetzij om daardoor het toe te wijzen bedrag te bepalen. — H. R. 15 Mei 1884; W. 5036.

1937. De beslissing, dat uit het tusschen partijen omgegane volgt, dat eene huurovereenkomst en geene maatschap is tot stand gekomen is van feitelijken aard, — H. R. 20 December 1889; W. 5818; N. R. CLIII, 376; v. d. H., B. R. LV, 362.

1938. Het gebruik van het woord „huur" in eene overeenkomst maakt deze niet tot een huurovereenkomst, indien overigens de elementen van bruikleen en niet die van huur en verhuur aanwezig zijn. De betaling van een gering bedrag tot erkenning van eigendom neemt niet weg, dat de goederen om niet in gebruik zijn gegeven. — Rechtb. Leeuwarden 3 Juni 1897; W. 7012.

1939. Het beschikbaar stellen door eenen stalhouder van een paard, tot vervoer van voorwerpen vanwege eene gemeente, is eene overeenkomst van huur en verhuur. — M. F. 18 Mei 1885, no. 54; M. F. 9 Juni 1885, no. 57; P. W. 7164; R. W. v. N. 557.

Sluiten