Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1940. Wanneer is bedongen, dat de eene partij aan de andere gedurende acht dagen tegen eene vergoeding van f 50.— zal laten het genot en gebruik van een paard, dan is die overeenkomst als eene huurovereenkomst te beschouwen, ook al komen partijen daarenboven overeen, dat na afloop van den huurtijd de huurder het recht zal hebben, dat paard tegen een vooraf bepaalden prijs te koopen. — Rechtb. Amsterdam 12 December 1905; W. 8437.

1941. Eene huurovereenkomst betreffende eenig goed, waarop de huurder later blijkt als eigenaar of erfpachter aanspraak te kunnen maken, is naar ons recht niet als nietig te beschouwen. — H. R. 5 Mei 1882; W. 4777.

1942. Het feit, dat de huurder eigenaar van het gehuurde is geworden ontslaat hem niet van de verplichting uit de huurovereenkomst voortvloeiende. Berst als vaststaat, dat de huurder ten tijde van het aangaan der huurovereenkomst het door hem gehuurde perceel als eigenaar bezat, zou de vraag kunnen rijzen of de huurder evenwel verplicht is de huurovereenkomst na te komen. — Rechtb. Rotterdam 11 December 1893. Hof 's-Gravenhage 11 Maart 1895; P. v. J. 1895, 59.

1943. Daar een eigenaar, die niet het genot van zijn goed heeft, dat genot kan huren van hem, die het wel heeft, zal een aanvankelijk geldig huurcontract a fortiori niet vervallen, omdat de huurder eigenaar pro parte wordt. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 27 Juni 1902; W. 7988.

1944. De huurder moet tegenover den eigenaar het bestaan der huurovereenkomst bewijzen. — Rechtb. Amsterdam 12 Juli 1892; P. v. J. 1892, 100.

1945. Indien het eigendomsrecht van meerdere personen op zeker stuk land vaststaat, is hunne actie als verhuurders tegen den huurder ingesteld, ontvankelijk, al mocht tengevolge eener vergissing in het huurcontract vermeld staan, dat de overeenkomst slechts met een hunner is aangegaan, zonder de bijvoeging, dat deze handelde, ook namens de andere mede-eigenaren. — Rechtb. Amsterdam 16 October 1894; W. 6085.

1946. De aangenomen verklaring door den verhuurder aan den huurder in geschrifte gedaan, dat de huurder het gehuurde pand na den dood des verhuurders nog tien jaren in huur zal kunnen houden, schept een volkomen bindend huurcontract, dat dengene die het pand na des verhuurders dood van den erfgenaam koopt, bindt. — Rechtb. Utrecht 17 April 1895; W. 6646; T. v. N. XIII, 280.

1947. Waar volgens de statuten, het doel der overeenkomst tusschen de bouwvereeniging eenerzijds en hare leden individueel anderzijds, daarin bestaat om dien leden te verschaffen den eigendom van een huis, aan hen onder bepaalde voorwaarden in gebruik gegeven, levert zoodanige overeenkomst niet op eene overeenkomst van huur en verhuur, maar eene overeenkomst van eigen soort, al moge in tal van artikelen der statuten de woorden huur, huurder en huurpenningen voorkomen. - - Rechtb. 's-Gravenhage 22 April 1896; W. 6841; T. v. N. XIY, 337.

1948. De transactie, waarbij de eene partij zich verbonden heeft om de andere het genot eener bepaalde zaak (effecten) te doen hebben, gedurende een bepaalden tijd, stelt daar eene overeenkomst van huur en verhuur, niet van bewaargeving. Deze overeenkomst geeft den verhuurder

Sluiten