Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel recht om de verhuurde stukken, niet om stukken van gelijke soort en waarde terug te geven. — Rechtb. Amsterdam 23 Mei 1906; W. 8513; W. v. Not. 88.

1949. Wanneer iemand zich verbindt om een ander gedurende een bepaalden tijd en tegen een vooraf overeengekomen prijs het genot van een automobiel te doen hebben, dan is die overeenkomst huur en verhuur eener automobiel, zonder dat daarin verandering wordt gebracht door de bij levering van een chauffeur; immers een chauffeur is een onmisbaar vereischte om het genot van eene automobiel te kunnen hebben. — Rechtb. Utrecht 3 April 1907; W. 8606.

1950. Mr. H. R. Ribbius. Het huren van rijtuigen en automobielen. (Naar aanleiding van gemeld vonnis Utrecht. S. kan zich daarmede niet vereenigen en meent, dat men zich moet afvragen of bij het sluiten der overeenkomst het genot der zaak of het genot der diensten hoofddoel was.) — W. v. N. R. 2000.

1951. A. Hijmans. Huur van een Bewaarkluis-loket. — Ac. Pr. Leiden 1910. Aangek, door mr. M. Polak in R. M XXIX, 492; door mr. L. A. Micheels in W. 9001.

Tweede Afdeeling.

Van de regelen welke gemeen zijn aan

verhuringen van huizen en van landen.

1952. Dr. H. D. J. Bodenstein. Huur van Huizen en Landen volgens het hedendaagsche Romeinsch-Hollandsch Recht. — Ac. Pr. Leiden 1909. Aangek, door C. J. M. Wilde in W. 8886.

Art. 1586, 1°.

1953. Een huurder, als hij ontbinding der huurovereenkomst wegens niet levering vordert, kan niet volstaan met de

bewering, dat de verhuurder verklaard heeft niet te willen leveren en met overlegging van eene sommatie tot levering van het gehuurde; hij behoort te bewijzen, dat tijdens den duur der huurovereenkomst hem feitelijk de toegang tot het gehuurde is geweigerd. — Rechtb. 's-Gravenhage 11 Juni 1886; W. 5302; W. v. N. R. 880; R. W. v. N. 565.

1954. De beslissing, dat een huurder met de hem gedane overgifte der gehuurde zaak genoegen heeft genomen, is feitelijk en dus in cassatie onaantastbaar. — H. R. 7 November 1890; P. v. J. 1891, 6.

1955. De huurder, die het gehuurde huis betrekt en van huisraad voorziet, verliest het recht om ter zake van niet behoorlijke levering van het verhuurde ontbinding der huurovereenkomst te vorderen. — H. R. 5 December 1890; W. 5971; R. W. v. N. 700; N. R. CLVI, 292; v. d. H., B. R. LVI, 293; T. v. N. VIII, 437.

1956. De huurder is bevoegd te vorderen, dat de verhuurder hem stelle in het volle genot van het gehuurde huis en hem den onbelemmerden toegang daartoe verschaffe, indien vaststaat, dat het huis werkelijk voor den huurder ontoegankelijk is, zonder dat de verhuurder of iemand op diens last het huis voor den huurder ontoegankelijk heeft gemaakt. - Rechtb. Amsterdam 2 Januari 1891; W. 5999.

1957. Wie schadevergoeding vraagt voor te late levering van het gehuurde, kan die schade slechts berekenen tot het oogenblik, dat het gehuurde te zijner beschikking wordt gesteld, niet tot het oogenblik, waarop hij het betrok. — Hof 's-Gravenhage 6 Februari 1893; W. 6384 en 3 Mei 1892; W.6387.

Sluiten