Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1588.

1983. Onder verhinderen van het gebruik in art 1588 B. W. moet worden verstaan het geheel, althans voor een groot deel onmogelijk maken van het gebruik, en niet geringe, op zich zelf staande voorbijgaande bemoeilijkingen in het gebruik. — Hof 's-Gravenhage 22 Januari 1877; N. R. B. 1880, A. 84.

1984. Gebreken, die het gehuurde ongeschikt maken voor zijne bestemming, zooals een ondragelijke stank in een woon- en koffiehuis, geven niet alleen recht tot herstelling met schadevergoeding, maar in plaats daarvan kan de huurder ook op dien grond ontbinding der overeenkomst vorderen. Dit artikel toch bedoelt niet te derogeeren aan artt. 1302 en 1303, ma,ar om ten sterkste uit te drukken, dat ook bij het vragen van nakoming der overeenkomst schadevergoeding niet is uitgesloten. — Rechtb. Amsterdam 5 September 1893; P. v. J. 1893, 97.

1985. Wanneer uit eene aan het erf eener gehuurde woning grenzende sloot een in die mate ondragelijke stank die woning binnendringt, dat bewoning er van zonder gevaar voor de gezondheid onmogelijk is, dan is dit te beschouwen als een gebrek van het gehuurde, waarvoor de verhuurder heeft in te staan. Op grond van zoodanig gebrek kan dus door een huurder ontbinding der huurovereenkomst worden gevorderd. Hierin komt geen verandering, doordat de huurder in de huurovereenkomst verklaarde met het gehuurde volkomen bekend te zijn en daarvan geene nadere omschrijving te verlangen; immers die clausule ziet slechts op des huurders bekendheid met aard, ligging en omvang van het gehuurde. — Rechtb. Rotterdam 21 December 1903; W. 8072.

1986. De laagheid van verdieping van hei gehuurde is geen zoodanig gebrek, waarvan de huurder, — na de woning met de lage verdieping te hebben gehuurd, — herstel kan vorderen en op grond waarvan hij bij het uitblijven van herstel ontbinding der huur kon vorderen. — Rechtb. Amsterdam 28 October 1904; P. v. J. 1905, 420.

1987. Het gemis van een in de huurovereenkomst gesteld vergunningsrecht kan — waar de huurder zich bij het aangaan der huur had kunnen vergewissen, in hoever tegen het voortbestaan van het vergunningsrecht wettelijke bezwaren bestonden — niet worden beschouwd als een gebrek van het gehuurde in den zin van art. 1588 B. W. — Rechtb. Amsterdam 8 Januari 1905; W. 8222.

1988. Onder de gebreken van het verhuurde goed, bedoeld in art. 1588 B. W. kan ook vallen het niet voldoen van een als bier- en koffiehuis verhuurd perceel aan de vereischten van hoogte, lucht- en lichtscheppingen bijK.B.van

I April 1905 (St. 120) ter uitvoering van art. 6 der Drankwet voor zulk eene inrichting voorgeschreven. — Rechtb. Leeuwarden 16 Januari 1908; W. 8694; W. v. Not. 146.

1989. De verhuurder is ingevolge dit artikel verplicht den huurder schadeloos te stellen wegens het nadeel, dat deze lijdt door gebreken van het verhuurde, hetzij deze bestonden tijdens den aanvang der huur, hetzij zij in den loop der huur ontstaan zijn. Het nadeel moet echter zijn een noodzakelijk gevolg van het gebrek, dat de huurder niet heeft kunnen voorkomen door de zorg van een goed huisvader, o. a. waarschuwing aan den verhuurder. — Rechtb. Assen

II Maart 1895; W. 6633.

Sluiten