Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. 7130; P. v. J. 1898, 30; T. v. N. XVI, 379. Rechtb. Rotterdam 3 Februari 1897; W. 7027; P. v. J. 1898, 30; T. v. N. XV, 325.

In gelijken zin Rechtb. Dordrecht 1 November 1899; W. 7366. Bevest door Hof 's-Gravenhage 5 November 1900; W. 7547.

2004. „Geheel en al vergaan" in art. 1589 B. W. mag niet letterlijk worden opgevat, alsof alle grondstoffen moesten zijn vergaan, maar alleen in dien zin, dat geen gedeelte is overgebleven, dat op zich zelf bruikbaar is voor het doel, waartoe het bestemd was. — Kantong Amsterdam I 6 Maart 1905; Mb. Dw. XXI, 40.

2005. Wanneer is verhuurd een pand, waaraan een vergunningsrecht is verbonden met de bedoeling, dat dat vergunningsrecht door den verhuurder zal worden uitgeoefend — dan maakt dat recht deel uit van het gehuurde en behoort — wanneer dat recht buiten schuld van huurder en verhuurder wordt ingetrokken — het voorschrift van art. 1589 B. W. te worden toegepast. — Hof 's-Gravenhage 20 April 1909; W. 8897.

Art. 1590.

2006. De verhuurder is jegens den huurder nog als verhuurder aan te merken en dus voor verandering van inrichting van het gehuurde aansprakelijk, zoolang aan den huurder niet is beteekend, dat des verhuurders rechten op een ander zijn overgegaan. — Rechtb. Amsterdam 29 November 1881; P. v. J. 1882, 1, Bijbl.

2007. Indien de eigenaar van een koffiehuis een winkelbetimmering in de daarheen leidende passage verhuurt en de huurder die huur aanneemt, beide

met het oog op het debiet aan de bezoekers van het koffiehuis, dan vraagt de huurder terecht de ontbinding dier overeenkomst wegens wanpraestatie als de verhuurder zijn koffiehuis sluit. — Hof Amsterdam 9 Februari 1883; W. 4976; P. v. J. 1883, 15, Bijbl.

2008. Een verhuurder, die aan zijn huurder bij overeenkomst een uit den aard der zaak persoonlijk recht van uitweg heeft verleend, is bevoegd om, mits zonder nadeel voor den huurder, dien uitweg te verleggen. — Rechtb. Utrecht 20 December 1899; W. 7409.

Art. 1591.

2009. Een verbouwing aan het bovenhuis aangebracht, houdt noodzakelijk verband met het benedenhuis, dat daaraan vastzit, vooral als de verbouwing betreft kap en zijmuren en de steigers vlak bij het benedenhuis geplaatst zijn, puin enz. naar beneden wordt afgelaten. Daar wordt niet geageerd tot nakoming der verbintenis en schadevergoeding, maar tot herstel in den vorigen staat met schadevergoeding, zoodat het rustig genot in het gehuurde daaruit zal geboren worden. Hierdoor heeft geen bevoordeeling van den huurder plaats, maar de toewijzing brengt hem in den toestand van een huurder die steeds het rustig genot van het gehuurde heeft gehad. — Rechtb Amsterdam 20 Maart 1890; W. 5889; P. v. J. 1890, 92.

2010. De bepaling van art. 1591 B. W. is niet toepasselijk op het geval, dat de verhuurder, tevens eigenaar van het naastgelegen pand, daarin herstellingen doet aanbrengen, die den huurder ernstigen overlast aandoen. In dat geval moet dan ook worden aangenomen dat de verhuurder den huurder niet het rustig genot van het gehuurde heeft

Sluiten