Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderhuur is de oorspronkelijke verhuurder niet ontvankelijk 'in zijne vordering tegen den onderhuurder, tot ontruiming na ontbinding der oorspronkelijke overeenkomst van huur en verhuur. — Rechtb. Amsterdam 3 Februari 1891; W. 6022; T. v. N. IX, 111.

2046. Een verhuurder, die eene onderverhuring stilzwijgend heeft goedgekeurd, kan later op grond dierzelfde onderverhuring geen vernietiging der huurovereenkomst vragen. Evenmin kan dit in zoodanig geval geschieden door den kooper van het verhuurd pand, die als zoodanig in de rechten van den oorspronkelijken verhuurder is getreden. — Rechtb. Amsterdam 19 April 1899; W. 7324.

2047. Een onderhuurder, die door den eigenaar-verhuurder als zoodanig is erkend, ontleent wel oorspronkelijk zijn recht op het rustig bezit van het gehuurde aan zijn verhuurder maar kan ook tegenover den eigenaar zijn recht daarop doen gelden en heeft tegenover dezen een zoodanigen zelfstandigen, gevestigden toestand, dat hij niet geacht kan worden te behooren tot degenen, die getroffen worden door eene ontruiming verkegen tegen den huurder van den eigenaar, zijn verhuurder, te meer waar de onderhuur het geheele perceel omvat. Een vonnis tot ontruiming derhalve verkregen tegen den oorspronkelijken huurder kan niet tegen den onderhuurder worden geëxecuteerd. — Rechtb. 's-Gravenhage 5 Juni 1901; W. 7653.

In tegenovergestelden zin Hof 's-Gravenhage 21 April 1902; W. 7822; P. v. J. 1902, 188; W. v. N. R. 1721; Not. W. 165.

2048. Het feitelijk bewonen van het perceel behoort niet tot de verplichtingen des huurders. Tot het bewonen in

den zin van art. 1595 al. 2 B. W. behoort, dat de huurder zelf of althans iemand van zijnentwege in het gehuurde voortdurend vertoeft en toezicht uitoefent. — Rechtb. Amsterdam 28 Juni 1881; P. v. J. 1881, 30.

2049. De huurder van een woon- en winkelhuis is verplicht, tenzij bij de overeenkomst het tegendeel is bepaald, het gehuurde zelf te bewonen. Hij is alleen dan bevoegd een gedeelte van het verhuurde tijdelijk aan een derde ten gebruike af te staan, indien hij zelf het huis bewoont en dat dus onder zijn toezicht plaats heeft. — Rechtb. Utrecht 21 October 1896; W. 6876; Mb. Dw. XII, 8.

2050. Noch uit art. 1595, noch uit art. 1596 B. W., noch uit eenige andere wetsbepaling volgt de verplichting van den pachter eener bouwhoeve, haar in persoon te bewonen, indien het pachtcontract omtrent die verplichting zwijgt. — Rechtb. Middelburg 24 Februari 1897; W. 6960; P. v. J. 1898, 36; W. v. N. R. 1454; T. v. N. XV, 173. Hof's Gravenhage 28 Februari 1898; W. 7095; P. v. J. 1898, 36; Mb. Dw. XIV, 2; T. v. N. XVI, 290.

2051. Door de ontbinding van de hoofdovereenkomst van huur komt de onderhuur als accessoir vanzelf te vervallen. Indien de onderhuurders na de ontbinding der hoofdovereenkomst nalatig zijn te ontruimen, moet tegen hen geprocedeerd worden als tegen de zoodanigen die zich zonder eenig recht of titel in het goed van een ander bevinden. — Rechtb. Haarlem 21 Juni 1881; P. v. J. 1881, 30, Bijbl.

2052. De huurder, die aan derden tegen een bepaalden prijs land uitgeeft, om daarop gedurende een seizoen aard-

Sluiten