Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben partijen klaarblijkelijk bedoeld, niet slechts dat de huurovereenkomst zal zijn ontbonden, maar ook, dat de huurder zonder ingebrekestelling door het enkel verloop van den bepaalden termijn in gebreke zal zijn. — Hof Arnhem 16 Februari 1887. Kechtb Tiel 8 Juli 1886; W. 5475.

2142. Waar een beroep wordt gedaan op een minnelijke ontbinding eener huurovereenkomst, is het bewijs door getuigen uitgesloten, indien de oorspron kelijke huurovereenkomst bij geschrift is aangegaan en de te bewijzen aangeboden feiten (vermoedens, de strekking hebben om tegen de huurovereenkomst in, vervroegde ontbinding aantetoonen. — Rechtb. Amsterdam sine die 1888; W. 5676.

2143. Uit de overgifte en de aanneming der sleutels van het gehuurde pand, moet de ontbinding der huurovereenkomst worden afgeleid. — Kantong. Amsterdam I 16 September 1889; P. v. J. 1890, 12.

2144. De huurder, die na het eindigen eener weekhuur wil beweren, dat hij de betrekkelijke woning niet behoeft te verlaten, omdat hij ze opnieuw van een ander bij de maand heeft gehuurd, zou, om zich met vrucht van die verwering te' bedienen, moeten aantoónen, dat die ander het recht had om die woning te verharen. — Kantong. Amsterdam I 26 September 1890; W. 5924.

2145. Eene door briefwisseling tot stand gekomen huur is niet te beschouwen als eene schriftelijke huur. waaronder de wetgever een meer formeele wijze om de overeenkomst te constateeren heeft begrepen en wel eene authentieke of onderhandsche akte van huur en verhuur, geteekend door partijen. —

Kechtb. Middelburg sine die 1901; W. 7736; Not. W. 139.

Art. 1607.

2146. De eigenaar heeft, alléén krachtens de hem gedane eigendomsoverdracht en de overschrijving van zijnen titel in de openbare registers, aan elk en een iegelijk bekend, zonder eenige toepassing van art 668 alin. 2 B. W., het recht om te zorgen, dat de tusschen zijn verkooper en den huurder van het gekocht onroerend goed bestaande mondelinge huur na den bepaalden tijd niet wordt hernieuwd; hij is dus gerechtigd, zonder beteekening der eigendomsoverdracht aan den huurder, tot opzegging en sommatie tot ontruiming, waardoor de vernieuwing der mondelinge huur vanzelve wordt belet. — H. R. 18 Mei 1877; W. 4127; v. d. H., B. R. XLII, no. 1550, 255; R. W. v. N. 301.

2147. Dit artikel kent alleen aan een opzegging, aan het daar gestelde vereischte voldoende, de kracht toe om een huur zonder geschrift aangegaan, te doen eindigen. Derhalve is de uitsluiting van het beroep op stilzwijgende wederinhuring, als een opzegging is gedaan, zooals in art. 1608 B. W. is vastgesteld, niet van toepassing bij huur zonder geschrift aangegaan, indien niet overeenkomstig art. 1607 B. W. de opzegging is geschiedt. — Hof 's-Hertogenbosch 17 Januari 1882; W. 4795.

2148. De wet heeft voor het doen eindigen eener mondelinge huur, waarvan de tijd, waarvoor zij is aangegaan, in confesso is, enkel eene tijdige kennisgeving van het verlangen om de huur te doen eindigen, voorgeschreven; het tijdstip, waarop alsdan die huur eindigt, hangt geheel van de huurovereenkomst af, zoodat, wijl eene opgave daarvan in

Sluiten