Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1609.

2174. Rij stilzwijgende voortgezette schriftelijke huur moeten de tijdstippen van het eindigen der huur worden geacht dezelfde te zijn als bij de schriftelijke overeenkomst was bepaald, ook al strooken zij niet met het plaatselijk gebruik. Dit belet echter niet, dat de huur op die bepaalde tijdstippen niet eindigt, tenzij een opzegging vooraf is gegaan, waarbij de termijn van het plaatselijk gebruik in acht genomen werd. — Kantong. Tilburg 4 Mei 1883; W. 4947.

2175. Van de voortzetting eener huur overeenkomstig artt. 1609 en 1623 B. W. behoort te blijken van de bedoeling van beide partijen om de huur voort te zetten. — Hof 's Gravenhage 30 Januari 1888; W. 5518; P. v. J. 1888, 33; Mb. Dw. IV, 3.

2176. Het „in het bezit gebleven en gelaten" van art 1609 B. W. levert slechts een vermoeden op voor de bedoeling der partijen om de bestaande huur conform dat artikel te verlengen Blijkt, dat zoodanige bedoeling althans bij een der partijen niet bestond, dan kan ook geen voortgezette huur worden aangenomen. — Rechtb. Utrecht 13 Februari 1907; W. 8584; W. v. N. R 1977.

2177. De in art. 1609 B. W. voorkomende woorden „in het bezit is gebleven en gelaten" geven aan, dat er voor de totstandkoming van een nieuwe huur, als in dat artikel bedoeld, eene stilzwijgende samenwerking tusschen huurder en verhuurder heeft bestaan, welk bestaan uit vermoedens kan worden afgeleid. De verhuurder kan niet volstaan, met tegenover het vermoeden van art. 1609 B. W. aan te toonen, dat hij niet een nieuwe huur wensclite te doen ontstaan, maar hij heeft bovendien aan¬

nemelijk te maken, dat de huurder van dien wil kennis .droeg. — Hof Amsterdam 16 Juni 1910; W. 9093.

2178. Indien na afloop eener schriftelijk aangegane huurovereenkomst de huurder in het bezit van het gehuurde is gebleven, dan blijft de overeenkomst op dezelfde voorwaarden voortduren, behoudens dat de verlengde huur niet ophoudt dan na opzegging met inachtneming der termijnen van het plaatselijk gebruik. -— Rechtb. Utrecht 11 Januari 1888; W. 5589.

2179. Een huurder, die na het eindigen van een schriftelijk huurcontract op het gehuurde blijft zitten, moet geacht worden huurder te zijn gebleven op de voorwaarden, in het schriftelijk contract vastgesteld. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 1 Juli 1903; W. 8031; Not. W. 238.

2180. Indien de verhuurder na over het sluiten van een nieuw huurcontract met den huurder te hebben onderhandeld, dezen na afloop van de schriftelijke huurovereenkomst desbewust gedurende eenigen tijd in het gehuurde laat, is daardoor krachtens dit artikel een nieuwe huur tusschen partijen ontstaan, welker gevolgen geregeld worden bij art. 1633. — Rechtb. Haarlem 22 Maart 1892 ; W. v. N. R. 1170

2181. Alleen als een bij geschrift aangegane huur tengevolge van omloop van den huurtermijn is geëindigd, verbindt de wet aan het in het bezit des huurders laten en blijven van het gehuurde het rechtsvermoeden eener nieuwe huur, allerminst is dit echter het geval, als de aanvankelijke huur door opzegging is geëindigd. — Rechtb. Utrecht 19 December 1894; W. 6596; Mb. Dw. X, 12.

Sluiten