Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2290. Het laatste lid van dit artikel bedoelt hetzelfde uit te drukken als bepaald was bij het derde lid van art. 1774 C. C. De thans gebezigde uitdrukking is echter van veel ruimer strekking'. De rechter is in zoodanig geval niet gebonden aan de bedoeling van den wetgever, maar hij moet aan de wet zoodanige toepassing geven, als het meest overeenkomt met de op de bouwlanden gebruikelijke wijze van bebouwen. — Rechtb. Utrecht 8 Mei 1895; W. 6651. Vernietigd door het volgende arr. Hof Amsterdam.

2291. Waar bewezen is, dat gedurende de laatste tien jaren de huurprijs driemaal is veranderd, kan de huurder niet beweren ingevolge alin. 3 van dit artikel het recht van zeven afwisselende zaaibeurten te hebben verkregen en is alin. 2 van toepassing. — Hof Amsterdam 6 December 1895; W. 6770. Bevest. door het volgende arr. H. R.

2292. De huur van een land zonder geschrift aangegaan — en hetzelfde geldt van een stilzwijgend gecontinueerde huur, nadat de schriftelijk aangegane huur is geëindigd — moet gerekend worden te zijn aangegaan voor één jaar, indien nooit van afwisselende zaaibeurten sprake is geweest en evenmin van het verbouwen van vruchten, die niet binnen een jaar konden worden ingezameld. — H. R. 5 Juni 1896, concl. conf.; W. 6821; P. v. J. 1896, 66; N. R. CLXXIII, 135; v. d. H., B. R, LXII, 187; T. v. N. XIV, 298.

2293. In art. 1633 al. 2 B. W. wordt met „een jaar" een tijdvak van 365 dagen bedoeld. — H. R. 29 Mei 1885; W. 5177.

In denzelfden zin Rechtb. Tiel 22 September 1905; W. 8393.

Art 1634.

2291. Dit artikel is zoo algemeen mogelijk gesteld, het maakt geen onderscheid om welke redenen de huurder in het bezit van het land wordt gelaten; het laat niet aan den rechter over om in dat geval de bedoeling van partijen uit de omstandigheden af te leiden. — Rechtb. Amsterdam 9 April 1889; P. v. J. 1889, 51.

2295. In het geval van dit artikel blijven dezelfde voorwaarden van huur bestaan, welke vroeger schriftelijk waren bedongen. — Rechtb. Amsterdam 16 October 1894; W. 6685.

2296. Van eene stilzwijgende voortzetting eener schriftelijke huur, dus van eene toepasselijkheid van art 1634 B.W. kan geen sprake zijn, wanneer na omloop eener schriftelijk aangegane huur, deze mondeling is voortgezet.'— Rechtb. Breda 21 October 1902; W. 7832.

2297. Bij stilzwijgende verlenging der oorspronkelijk schriftelijk aangegane huur eener hofstede, moet worden aangenomen, dat de huur op de voorwaarden der oorspronkelijke overeenkomst is blijven voortduren, ook nadat met wederzijdsche toestemming aan de hofstede eenige hectaren lands zijn toegevoegd en dienovereenkomstig de huurprijs is verhoogd. — Rechtb. Utrecht 21 November 1906; VV. 8471; W. v. Not. 80; W. v. N. R. 1985.

Art. 1635.

2298. Geen wetsbepaling verplicht den verhuurder te vergoeden de waarde van in den grond voorhanden gezaai, mest, hekpalen en buizen. In dit artikel, het eenige dat van dergelijke zaken gewaagt, is slechts sprake van verplich-

46

Sluiten