Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besliste en ondubbelzinnige verklaring van den werkgever of den arbeider, dat hij de dienstbetrekking wil doen eindigen. — Kantong. Apeldoorn 3 Maart 1910; R. B. A. II, 2.

Art.. 1639h.

2408. Mr. F. J. Lisman. Eenige beschouwingen over art. 1639/i B. W. -—R. B. A. I, 21.

2409. Eene dienstbode kan bij gebreke van schriftelijke overeenkomst de dienstbetrekking met inachtneming van zes weken opzeggen, daar door het gebruik geen bepaalde dagen voor het einde der dienstbetrekking zijn aangewezen. — Kantong. Amsterdam II 26 November 1909; W. 8997.

Art. 1639i.

2410. Eene overeenkomst, waarbij alleen de arbeider zich zou verbinden gedurende een zekeren tijd in dienst te treden, maar de werkgever te allen tijde de dienstbetrekking als eene voor onbepaalden tijd aangegane, zou kunnen opzeggen, is in strijd met de bepalingen omtrent de opzegging der dienstbetrekking, gelijk die door art. 1639t B. W. voor arbeiders, wier in geld vastgesteld loon vier gulden per dag bedraagt, is aangegeven. — Kantong. Amsterdam IV 10 December 1909; R. B A. I, 24.

2411. Een bepaling in een schriftelijk contract, dat door geen der partijen een opzeggingstermijn zou behoeven te worden in acht genomen, is nietig. Daarvoor treedt de termijn van art. 1639i al. 1 B. W. in de plaats. — R. B. A. III, 1.

2412. Wanneer de opzeggingstermijn bij overeenkomst is bepaald op veertien dagen, maar het loon om de acht dagen

wordt uitbetaald, mag toch krachtens

art. 1639i B. W. de opzeggingstermijn niet langer zijn dan acht dagen. — Kantong. Amsterdam II 25 Maart 1910; W. 8997.

2413. Waar tegen een dagloon wordt gewerkt, moet de opzegginstermijn op eene week worden bepaald. — Kantong. Weert 28 October 1910; R. B. A. II, 21.

Art. 1639/.

2414. De in art. 1639/ bedoelde proeftijd kan slechts worden bedongen, voordat eene vaste dienstbetrekking wordt aangegaan en niet tijdens dergelijke betrekking reeds tot uitvoering is gekomen.

— Kantong. Haarlem 2 April 1909; R. B. A. I, 4.

2415. Art 1639/ al. 1 mist toepassing zoolang de arbeid niet is aangevangen.

— Kantong Dordrecht 14 April 1910; R. B. A. II, 13.

2416. Indien bij het aangaan eener arbeidsovereenkomst een proeftijd is bedongen, kan die overeenkomst, vóórdat de proeftijd is ingegaan, niet eenzijdig worden verbroken. — Kantong. Haarlem 3 Juni 1910; R. B. A. II, 11.

2417. Wanneer bij een arbeidsovereenkomst een proeftijd voor een langeren termijn dan twee maanden is bedongen, maakt de nietigheid van dit beding, niet de geheele overeenkomst nietig, maar heeft tengevolge, dat de arbeidsovereenkomst wordt beschouwd als voor onbepaalden tijd te zijn aangegaan. — Kantong. Zaandam 20 April 1911; RB. A. III, 7.

Art. 1639o.

2418. Prof. mr. J. F. Houwing. De dringende redenen in het Arbeidscontract.

— W. v. N. R. 2068.

Sluiten