Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2419. Jan van den Tempel. Rechtsonzekerheid (Over de vraag of partijen bevoegd zijn in afwijking van de artt. 1639p en q bij overeenkomst of reglement te bepalen, welke omstandigheden (daden enz.) zullen gelden als dringende redenen, die aan de tegenpartij het recht geven de dienstbetrekking onmiddellijk te doen eindigen). — W. 8857.

Naar aanleiding daarvan:

Mr. H. Louis Israëls. Overeengekomen „Dringende reden". — W. 8861.

Mr.H.J. Nieboer. „Dringende redenen".

- W. 8863.

Mr. Canes. „Dringende redenen". — W. 8864.

Mr. T. Sybenga. „Dringende redenen".

- W. 8866.

Mr. F. van Woudenberg Hamstra. „Dringende redenen". — W. 8867.

2420. Mr. J. F. G. v. B. Wichers. Naar aanleiding van het begrip dienstbetrekking en art. 1639o B. W. — R. B. A. I. 23; II, 18 en 19.

2421. Ontijdig ontslag van een werkman op grond, dat hij niet met eene bepaalde vereeniging wil breken, rechtvaardigt dat ontslag niet. — Kantong. Arnhem 11 Augustus 1908; W. 8823.

2422. Het feit dat zijn nieuwe patroon hem dringend noodig heeft, is geen dringende reden voor den arbeider om bij zijn ouden patroon de dienstbetrekking binnentijds te doen eindigen. — Kantong. 's-Gravenhage 19 April 1909; W. 8834.

2423. De vraag of art. 1639o B. W. van openbare orde is, dan wel of partijen daarvan bij overeenkomst kunnen afwijken en zoo ja of dit is geschied, staat niet ter beoordeeling der Rechtbank, maar van den Kantonrechter. — Kantong. 's-Gravenhage 22 Juni 1909; W. 8897.

2424. Eene stopzetting der fabriek, d. w. z. uitsluiting, is van zijde des werkgevers evenmin een beëindiging der arbeidsovereenkomst, als staking dit bij de arbeiders is. — Kantong. Zaandam 25 Februari 1909; R. B. A. I, 12.

2425. Een staking van het werk door den arbeider zonder inachtneming van den bepaalden opzeggingstermijn levert niet op het onrechtmatig doen eindigen van de dienstbetrekking, omdat in den regel bij eene werkstaking de wil des arbeiders niet op het doen eindigen, maar op het op gewijzigde voorwaarden voortzetten der dienstbetrekking is gericht. — Kantong. Groningen 8 Juni 1909; R. B. A. 1, 10.

2426. Het neerleggen van het werk is geenszins altijd synoniem met hetgeen art. 1639o B. W. onder'het beëindigen eener dienstbetrekking door den eenzijdigen wil van den werkman verstaat.

Bij staking zit integendeel doorgaans de bepaalde wil voor om wel de werkzaamheden tijdelijk te schorsen, doch niet om de dienstbetrekking te verbreken. — Kan tong. Enschedé Februari 1911; W. 9165; R. B. A. III, 1.

2427. Staking is niet als ontslagneming te beschouwen. — Kantong. Amsterdam II 25 Maart 1910; W. 8997.

2428. Werkstaking of uitsluiting is zonder formeele opzegging der arbeidsovereenkomst op zich zelf niet a priori als eene opzettelijke beëindiging der dienstbetrekking aan te merken; wel is dit echter het geval, indien de stakende arbeider eerst lang nadat de staking verloren was, bij den werkgever is komen vragen om weer in dienst te worden gesteld. — Kantong. 's-Gravenhage 22 October 1910; R. B. A. II, 16 en 17.

Sluiten