Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tong. Schiedam 5 October 1909; R. B. A. II, 3.

2440. Wie eenmaal eene dienstbetrekking heeft verbroken, kan niet eenzijdig op die verbreking terugkomen, ook al was zij onrechtmatig. — Kantong. Amsterdam IV 5 October 1909; R. B. A. I, 14.

2441. De mededeeling van een werkgever aan zijnen knecht, dat hij alleen dan kan terugkomen, als hij met minder loon dan het tusschen partijen overeengekomen bedrag genoegen neemt, doet de bestaande arbeidsovereenkomst eindigen en stelt daar eene verbreking zonder inachtneming van een behoorlijken termijn. — Kantong. Berlikum 20 November 1909; R. B. A. I, 21.

2442. Een werkgever, die tegenover de vordering van een ontslagen arbeider tot schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag, beweert, dat het ontslag rechtmatig was om eene dringende reden van ontslag, moet niet alleen het bestaan der dringende reden bewijzen, maar ook, dat hij die dringende reden onverwijld aan den arbeider mededeelde. De rechter kan het bewijs dier onverwijlde mededeeling ook ambtshalve opleggen. — Kantong. Heerlen 18 Februari 1910; R. B. A. II, 9.

2443. Ben arbeider is niet verplicht anderen dan den bedongen arbeid te verrichten; wordt hij daartoe genoodzaakt, dan is dit te beschouwen als eene onrechtmatige beëindiging der overeengekomen dienstbetrekking. — Kantong. Enschedé 23 Juni 1910; R B. A. II, 11.

2414. Mededeeling der dringende reden, op grond, waarvan de eene partij de dienstbetrekking zonder inachtneming

I van den opzeggingstermijn doet eindigen kan als overbodig worden beschouwd, wanneer de wederpartij door de omstandigheden zelf omtrent die reden niet meer in twijfel kan verkeeren Kantong. Maastricht 14 October 1910; R. B. A. II, 16 en 17.

In denzelfden zin Kan tong. Heerlen 16 November 1909; R. B. A. I, 22.

2445. Indien bij eene arbeidsovereenkomst het gebruik eener woning deel uitmaakt van het bedongen loon, eindigt dit recht van gebruik, zoodra een der partijen volgens art. 1639o B. W. de dienstbetrekking heeft doen eindigen. Of deze beëindiging rechtmatig of onrechtmatig was, is slechts van belang voor de vraag of er schadeloostelling verschuldigd is. — Rechtb. Leeuwarden 24 Maart 1910; W. 8994; R. B. A. II, 3; VV. v. N. R. 2133.

2446. De mededeeling van den werkgever aan den arbeider, dat hij geen werk meer voor hem heeft — en dat hij daarom wel kan weggaan, doch later, als er weer werk was, mocht terugkomen, houdt in een tusschentijdsche verbreking der arbeidsovereenkomst, als bedoeld in art. 1639o B. W. — Kantong. Amsterdam I 27 September 1910; R. B. A. II, 20.

Art. 1639p.

2447. Ook al staat vast dat een acteurzanger een rol, die hij zich verbonden had op een bepaalden dag te kennen, toen niet kende, bij eene repetitie valsch zong, niet tijdig inviel en niet wist waar hij moest staan, zoo kan toch niet zijne absolute ongeschiktheid als artist, die zijn onmiddellijk ontslag zou rechtvaardigen, worden aangenomen.— Kjmtong. Amsterdam II 4 Maart 1909; W. 8823.

Sluiten