Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit blijkende, dat hij met eenvoudig, hem niet in te groote hoeveelheid opgedragen werk niet binnen een geruimen tijd pleegt klaar te komen, toont zoodanige onbekwaamheid of ongeschiktheid van dien bediende voor den arbeid, waartoe hij zich heeft verbonden, aan, dat daarin voor zijn werkgever eene dringende reden tot beëindiging der met hem gesloten arbeidsovereenkomst is gelegen. — Kantong. Amsterdam IV 10 December 1909; R. B. A. I, 24.

2458. Eene dringende reden verondersteld periculum in mora; de beteekenis van het woord „dringend" is „geen uitstel lijdend", derhalve kan het feit, dat een arbeider eigenmachtig een verleend verlof met D/i dag verlengt, niet zoo'n dringende reden tot ontslag opleveren, zonder dat hierin verandering gebracht kan worden door reeds vroeger gebleken onbetrouwbaarheid. — Kantong. Almelo 6 Januari 1910; R. B. A. I, 25 en 26.

2459. Wanneer eene zieke inwonende dienstbode in plaats van zich in de woning haars meesters te laten verplegen, zooals deze verlangt, zich tegen diens uitdrukkelijk bevel naar de woning harer ouders begeeft, om zich daar te laten verplegen, dan is dit voor dien meester nog geen dringende reden om die dienstbode tusschentijds te ontslaan. — Kantong. Sliedrecht 28 April 1910; R. B. A. II, 10.

2460. Een enkele maal te laat op het werk komen levert op zich zelf geen dringende reden voor onmiddellijk ontslag op; dit verandert wanneer een arbeider herhaaldelijk te laat komt en zich daarenboven nog schuldig maakt aan dienstweigering en brutaliteit. — Kantong. Amsterdam II 7 Juni 1910; R. B. A. II, 13.

2461. Er kan geen sprake zijn van eene dringende reden tot ontslag van den arbeider als bedoeld in art. 1639p B. W., wanneer de werkgever na het ontstaan der reden maanden laat verloopen eer hij tot ontslag overgaat — Kantong. Dordrecht 16 Juni 1910; W. 9019; R. B. A. III, 7 en 8.

2462. Ziekte des arbeiders zonder meer is geen dringende reden voor den werkgever om de arbeidsovereenkomst te doen eindigen. — Kantong. Amsterdam II 23 Juni 1910; R. B. A. II, 12.

2463. Wanneer bij overeenkomst niet is bepaald, dat een eenmaal gegeven verlof bij wijze van straf door den werkgever niet kan worden ingetrokken, dan is het feit, dat de werknemer zich niet aan zoodanige intrekking stoort ook geen dringende reden om het arbeidscontract binnentijds te doen eindigen. — Kantong. Amsterdam II 5 September 1910; R. B. A. II, 15.

Art. 16395.

2464. Het aangaan van een huwelijk door den arbeider is geen dringende reden voor hem om de dienstbetrekking te doen eindigen. — Kantong. BreukelenNijenrode 16 Juni 1909; R. B. A. 1,12.

2465. Noch onthouding van werk — veel minder bedreiging daarmede — is voor den arbeider eene dringende reden om de arbeidsovereenkomst tusschentijds te doen eindigen. — Kan tong. Leeuwarden 27 October 1910; R. B. A. II, 16/17.

2466. Niet op tijd betalen van het loon levert een dringende reden tot beëindiging der dienstbetrekking op, vooral wanneer de arbeider zelf voor kost en inwoning moet zorgen. Hier-

Sluiten