Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen kan niets uitrichten het beroep op een gebruik dat zou medebrengen, dat in het onderwerpelijk vak het loon nooit op tijd wordt betaald. — Kantong. Amsterdam II 6 Januari 1910; R. B. A. I, 25/26.

2467. Weigering des werkgevers om den arbeider zijn verdiend loon uit te

betalen is voor dezen een dringende reden om de arbeidsovereenkomst te doen eindigen. — Kantong. Breda 8 Juni 1910; R. B. A. II, 12.

Art. 1639r.

2468. Mr. H. Kingma Boltjes. De schadeloosstelling van art. 1639r B. W. in verband met jaarcontracten. — Them. XXX.

2469. Voor de berekening der schadeloosstelling overeenkomstig art. 1639r B. W. moet als „in geld vastgesteld loon" ook worden beschouwd een aan den werknemer toegezegde provisie. — Kan tong. Amsterdam I 16 December 1909; W. 895-5; R. B. A. II, 20.

2470. Ingeval een arbeider tegen stukloon arbeidt, moet de schadevergoeding wegens onrechtmatige verbreking der overeenkomst worden gesteld op het dagloon maal het aantal dagen van den opzeggingstermijn. — Kantong. Heerlen 18 Februari 1910; R. B. A. II, 9.

2471. De schadevergoeding van art. 1639r B. W. kan niet door den rechter worden verminderd. Zij moet worden toegewezen, ook al blijkt niet van werkelijk geleden schade. — Kantong. Dordrecht 16 Juni 1910; W. 9019; R. B. A. II, 7 en 8.

2472. Indien bij eene dienstbetrekking voor onbepaalden tijd aangegaan,

nadat de eene partij de dienstbetrekking met inachtneming van een opzeggingstermijn heeft doen eindigen, de wederpartij de overeenkomst onmiddellijk onrechtmatig doet eindigen, is de schadeloosstelling niet gelijk aan het loon gedurende den opzeggingstermijn, maar aan het loon, dat tot aan den dag waartegen rechtmatig was opgezegd door de wederpartij, verdiend zou zijn. — Kantong. Arnhem 12 Juli 1910; R. B. A. II, 12.

2473. Bij onrechtmatige verbreking der overeenkomst door den werkgever kan de dienstbode niet alleen een bedrag gelijk aan het in geld vastgestelde loon gedurende den opzeggingstermijn vorderen, maar ook een vergoeding voor de gedorven kost en inwoning gedurende dien tijd, zonder tot nader bewijs van het doen eindigen der dienstbetrekking, zonder inachtneming van den opzeggingstermijn, gehouden te zijn. — Kantong. Deventer 2 Mei 1911; R. B. A. III, 8.

Art. 1639i.

2474. Slechts van het verschuldigde loon, niet van een volgens art. 1639i verschuldigde schadeloosstelling kan bij niet tijdige voldoening, de verhooging bedoeld in art. 1638g worden verlangd. — Kantong. Apeldoorn 18 Augustus 1909; R. B. A. I, 16, 23.

2475. Door restant loon aan te nemen en daarvoor kwijting te geven, doet de arbeider geen afstand van zijn recht op schadevergoeding wegens onrechtmatige verbreking. — Kantong. 's-Gravenhage 27 September 1909; R. B. A. I, 17. Kantong. Amsterdam 19 September 1910; R. B. A. III, 5.

2476. Wanneer eene dienstbetrekking van een kellner onrechtmatig door den

Sluiten