Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel onaangetast het voorschrift van dit artikel. — Hof Arnhem 11 Maart 1903; W. 7940.

2560. De bepaling van een bestek: „Ingeval meerdere werkzaamheden ten nutte van het werk benoodigd zijn, of eenige wijziging of vermindering dienstig geacht wordt, zal de aannemer verplicht zijn, op aanschrijving der directie daaraan te voldoen", kan geene andere strekking hebben, dan aan de Directie, d. w. z. den architect de macht te geven om te beslissen of meerder werk noodig is, dus of eenige werkzaamheid als meerder werk is te beschouwen; uit die bepaling vloeit dan verder voort, dat de aannemer, die immers het hem door den architect opgedragen meerder werk niet mag weigeren, door die opdracht, die ook mondeling kan worden gegeven, ook tegenover den aanbesteder verantwoord is en dat deze niet het recht heeft om, in strijd met het overeengekomene, die werkzaamheid, niet als meerder werk te erkennen en daarvoor betaling te weigeren. — Hof 's-Gravenhage 25 Juni 1906; W. 8436.

2561. Het feit, dat de aanbesteder aan den aannemer meer heeft uitbetaald dan de aannemingssom, belet niet, dat hij zich tegenover eene vordering tot betaling van meerder werk kan beroepen op het voorschrift van art. 1646 B. \V. — Rechtb. Rotterdam 19 April 1909; W. 8985.

2562. Uit de stelling dat meer of minder werk is verricht, volgt nog niet, dat het werk door den aanbesteder is gelast. — Hof Amsterdam 18 Februari 1910; W. 9059.

Art. 1647.

2563. De opzegging der aanneming, bedoeld bij art. 1647 B. W. kan ook

door eene daad geschieden. — Rechtb. Amsterdam 4 December 1883; P. v. J. 1883, 23, Bijbl.

2564. Met de „opzegging" van art. 1647 B. W. is niet bedoeld eene bepaalde formeele opzegging; het zal voldoende zijn, wanneer den aannemer door woorden of handelingen wordt kenbaar gemaakt, dat de aanbesteder niet wil, dat hij aannemer het werk afmaakt. — Rechtb. Zutfen 5 Januari 1905; W. 8182.

2565. Met het woord „opzeggen" in art. 1647 B. W. kan niet anders bedoeld zijn dan het verrichten van zoodanige handelingen, dat daaruit den aannemer ondubbelzinnig blijkt, dat de aanbesteder van het contract afziet; de bedoeling van dat woord kan niet zijn den aanbesteder te verplichten om op legale wijze het contract uitdrukkelijk op te zeggen.

De in dit wetsvoorschrift bedoelde schadevergoeding behoeft niet bij de opzegging te worden aangeboden. — Rechtb. Rotterdam 18 Januari 1909; W. 9030.

2566. De door den aanbesteder in een van zijnentwege aan den aannemer beteekend exploit gebezigde uitdrukking, dat hij de werkzaamheden aan anderen opdragen en andere werklieden bezigen zal, moet als eene opzegging van het werk worden aangemerkt, vooral als de aanbesteder eenigen tijd te voren aan den aannemer geschreven had, dat hij tot opzegging zou overgaan. — Hof Amsterdam 5 Maart 1886; W. 5318.

2567. De intrekking van de gunning van het werk door den aanbesteder, geeft den aannemer geen recht om de ontbinding der overeenkomst met schadevergoeding te vragen; hij heeft alleen aanspraak op vergoeding van zijn gemaakte kosten, arbeid en winstderving.

Sluiten