Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanneming per Meter hebben verricht.

De kosten voor vracht en transport van

grondstoffen voor het stücadoorswerk maken een noodzakelijk bestanddeel

daarvan uit. — H. R 6 April 1894; W. 6485; P. v. J. 1894, 3; N. R. CLXVI, 276.

2599. Dit artikel geeft aan de werklieden wel een vordering tegen den aanbesteder ten beloope van hetgeen deze aan den aannemer op het tijdstip

der vordering schuldig is, maar daaruit

volgt niet, dat de werklieden een privilegie kunnen uitoefenen od de gelden

door den aanbesteder aan den aannemer

betaald. — Kechtb. Amsterdam 5 Juni 1883; W. 4994; P. v. J. 1883, 40, Bijbl.

2600. Voor het instellen der vordering bij dit artikel bedoeld, is het een vereischte, dat er op het oogenblik, waarop zij wordt ingesteld, eene schuld van den aanbesteder aan den aannemer bestaat. — H. R. 29 Juni 1894, concl. conf.; W. 6531; P. v. J. 1894, 69; N. R. CLXVII, 215; v. d H, B. R. LX, 224.

2601. De vordering der ambachtslieden gaat niet verloren door het faillissement van den aannemer. De vordering der ambachtslieden tegen den aanbesteder omvat niet de kosten van het conservatoir arrest, hetwelk zij onder den aanbesteder gelegd hebben. De toewijzing der vordering van de ambachtslieden wordt niet belet door de omstandigheid, dat het door den aannemer verschuldigd bedrag nog niet vorderbaar is. — Rechtb. Amsterdam 23 Juni 1887; P. v. J. 1888, 29. Rechtb. Haarlem 17 April 1888; P. v. J. 1888, 62. Rechtb. Amsterdam 14 Februari 1893; P. v. J. 1893, 57; v. d. H., B. R. LIX, 78.

2602. Aan de vordering ex art. 1650 B. W. door den ambachtsman tegen

den aanbesteder ingesteld, staat niet in den weg de verificatie des ambachtsmans voor dezelfde schuld in het faillissement des aannemers. Alleen latere verrekening, waardoor de ambachtsman nimmer meer ontvangt dan hem toekomt, kan daarvan het gevolg zijn. — Hof 's-Hertogenbosch 31 Maart 1908; W. 8790.

Art. 1652.

2603. Ph. W. Scholten. Is art 1652 B. W. ook toepasselijk op onroerende goederen? — Them. XLIII, 36.

2604. Indien de verschuldigdheid van het arbeidsloon voor bepaalde werkzaamheden vaststaat, kan de werkgever zich niet aan de betaling onttrekken op grond, dat het bewerkt goed niet te zijner beschikking is gesteld of slechts aangeboden is tegen voorafgaande betaling, tenzij blijkt dat de werkman op zich had genomen het afgewerkt goed zonder voorafgaande betaling van loon en kosten ter beschikking van den werkgever te stellen. — Rechtb. Amsterdam 5 December 1888; W. 5675; P. v. J. 1889, 17.

2605. Een scheepmaker, die een door hem gerepareerd schip op de helling houdt, alleen omdat er verschil over de rekening bestaat, kan geen zetgeld of hellinghuur in rekening brengen; in geen geval geval heeft hij te dier zake het recht van retentie in dit artikel bedoeld. — Rechtb. Rotterdam 7 Juni 1890; W. 5929; P. v. J. 1890, 84.

2606. Het recht van den werkman om eenig bewerkt voorwerp onder zich te houden totdat het bedongen loon zal zijn uitbetaald, staat niet in den weg aan de vordering van den werkgever tot vaststelling door den rechter

Sluiten