Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klemde meier die gedurende drie jaren niet betaalde en tegenover wien op dien grond vervallenverklaring van de beklemming wordt gevorderd, zich tot afwering dier vordering niet beroepen op de omstandigheid, dat hij in den loop dier drie jaren eene tegen vordering op den eigenaar had. — Rechtb. Winschoten 11 Juni 1890; W. 5949.

2632. De meier van eene vaste altijddurende en in alle liniën verervende beklemming, zijnde eene behuisde heemstede, heeft het recht op den beklemden grond zonder toestemming van den eigenaar eene tweede behuizing te bouwen. — Rechtb. Groningen 12 December 1890; W. 5968; W. v. N. R. 1103; R. W. v. N. 699.

2633. De uitgifte van gronden in 1664 door de stad Groningen gedaan, moet geacht worden te zijn geschied onder de algemeene conditiën op 26 Januari 1657 gepubliceerd en vastgesteld. Mitsdien kan een overdracht dier gronden tegenover de stad Groningen niet als rechtsgeldig worden beschouwd, zoolang die overdracht niet behoorlijk is ingeboekt. — Hof Leeuwarden 28 Februari 1894; W. 6495.

2634. De onbevoegdheid van den ingeboekten meier om op eigen gezag zijn recht van huurcerter te vervreemden sluit rechtens niet uit de bevoegdheid van dien meier om onder zijn verantwoordelijkheid het geheel of een gedeelte van den grond bij overeenkomst van eenvoudige huur en verhuur of van bruikleening door een ander te doen gebruiken. — Rechtb. Winschoten 6 Juni 1894; W. 6535.

2635. Wat er ook moge zijn naar het burgerlijk recht van de rechten van de kinderen van den erflater op de beklem¬

ming, behoorende tot de nalatenschap, zoo volgt evenwel uit de eigenaardige beginselen van het beklemrecht, dat de eigenaar de mede te boek staande vrouw van den overledene heeft te erkennen als gerechtigd tot het gebruik van het beklemd land en dat bij haar leven geen sprake kan zijn van vererving der beklemming op de kinderen, omdat die vererving eerst intreedt na het overlijden van beide ouders. Hieruit volgt, dat, als de moeder de beklemming laat toescheiden aan een harer kinderen, zij, als zij wil, dat dit kind door inboeking recht zal verkrijgen op het genot dezer ondeelbare zaak, m. a. w. dat hij meier zal worden in hare plaats, dat zij dan een uitsluitend haar toekomend recht overdraagt op dat kind, en zich ten blijke daarvan en opdat haar overdracht werkelijk effect sorteere, zij den eigenaar dient te laten inboeken, evenals de nieuwe meier van zijn kant als zoodanig moet worden ingeboekt. Er is dan bepaalde overdracht van het recht. — Kan tong. Winschoten 18 December 1897; P. v. J. 1898, 59.

2636. Krachtens de bepaling van beklemrecht, dat de landheer, in geval hij zijn eenvoudig in beklemming verhuurd land opzegt en van den meier opvordert, de waarde van diens huis moet betalen, is de landheer gehouden de waarde van het huis te betalen, niet als hout en steen overhoop liggende, maar naar deszelfs verkoopwaarde. — Rechtb. Groningen 9 Juli 1897; W. 7027. Be vest. door Hof Leeuwarden 29 Juni 1898; W. 7179; P. v. J. 1898, 93.

2637. Collectieve inboeking van meerderjarigen, hoewel ongewoon, is in het beklemrecht bestaanbaar en moet, waar zij bij contract wordt mogelijk gemaakt, worden toegestaan. De bepaling in het beklemrecht, dat de erfgenamen in de

Sluiten