Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nederdalende lijn het recht hebben, te bepalen of er inboeking van een hunner of een collectieve inboeking zal plaats hebben, onder beding, dat de erfgenamen zich deswege binnen den tijd van één jaar na het overlijden des erflaters moeten verklaren, brengt niet mede, dat de erfgenamen, door den termijn van één jaar te laten verloopen, het recht verliezen zich te verklaren, maar wil alleen zeggen, dat de eigenaar eerst één jaar na het overlijden moet laten verloopen, voordat hij tot de erfgenamen de vraag mag richten, of individueele of collectieve inboeking wordt verlangd. Volgens de algemeene beginselen van beklemrecht geschiedt de inboeking gelijktijdig met en tegen betaling der verschuldigde geschenken en aanzuivering van al het achterstallige. Deze beginselen brengen ook mede, dat in geval van vererving, het geschenk verschuldigd wordt door de inboeking van den nieuwen meier, zoodat geen afzonderlijk geschenk voor de vererving verschuldigd is en de vererving slechts de noodzakelijkheid van inboeking doet geboren worden. — Rechtb. Groningen 2 December 1898; P. v. J. 1898, 99.

2638. Waar eensdeels in het algemeen voor vererving van het recht van huurcerter van den zoogenaamden stadsmeier op zijne kinderen geene recognitie verschuldigd is en anderdeels moet worden aangenomen, dat in geval van toedeeling van het recht van huurcerter aan een van meerdere kinderen van den stadsmeier, dat eene kind moet geacht worden het geheel bij versterf te hebben verkregen, moet ook worden aangenomen, dat ook in het laatste geval geenerlei recognitie verschuldigd is. — Hof Leeuwarden 24 September 1903; W. 7895.

2639. Wanneer bij de akte van verkoop eener beklemming is bepaald, dat

deze beklemming tot een jaarlijksche vaste huur zal doen de somma van zes gulden, telkens op Allerheiligen verschijnende, door koopers voor den eersten keer te betalen op Allerheiligen van dit jaar en zoo vervolgens en dat deze beklemming niet zal vervallen dan alleen in cas de beklemde meier of meieren drie volle jaren huur ten achteren zijn, — dan vervalt de beklemming vanzelf, zonder inverzuimstelling en zonder tusschenkomst des rechters, wanneer de beklemde meier drie jaar huur ten achteren is. Hierin wordt geen verandering gebracht doordat de beklemde meier als nieuwe verkrijger nog niet is ingeboekt. — Rechtb. Winschoten 3 Januari 1909; W. v. Not. 221.

NEGENDE TITEL.

Van maatschap of vennootschap.

Eekste Afdeeling.

Algemeene bepalingen.

Art. 1655.

2640. Mr. R. W. J C. de Menthon Bake. Kartelrecht. — R. M. XXVI, 424.

2641. J. B. Burgerlijke maat- of vennootschap. — W. v. N. R. 1229 en 1230.

2642. J. van Raalte. De rechtstoestand der burgerlijke aandeelenmaatschappij. — Ac. Pr. Leiden 1891. Aangek, in T. v. N. IX, 129.

2643. Eene maatschap wordt geacht te zijn ontbonden, indien een der beide vennooten het door hem in de maatschap ingebrachte goed aan den anderen vennoot verkoopt. — Rechtb. Alkmaar 23 April 1885; W. 5253; W. v. N. R. 866; R. W. v. N. 561.

2644. Bij de overeenkomst van maat-

Sluiten