Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap is noodzakelijk doel het behalen eener gemeenschappelijke winst. De associatie van verschillende meekrap teelers tot stichting eener meestoof, ten einde daarin de gewonnen meekrap te bereiden, is niet te beschouwen als maatschap, doch als contractus sui generis. Derhalve zijn ook de artikelen, regelende de ontbinding der maatschap pen op deze associatiën niet van toepassing. — Rechtb. Breda 6 Januari 1885; W. 5187.

2645. De vereeniging „De vereenigde Rijnsleepstoomers", waarin verschillende schippers het gebruik hunner sleepbooten hebben ingebracht om daarmede ieder op zijn beurt op aanwijzing van het bestuur sleepen te doen, moet beschouwd worden als maatschap — al wordt ook het voor iederen sleep verschuldigd sleeploon betaald niet aan de vereeniging, maar aan den schipper van de boot, welke den sleep gedaan heeft — daar de leden tot deze vereeniging zijn toegetreden om verlaging der loonen door concurrentie tegen te gaan, zoodat het oogmerk om gemeenschappelijk winst te behalen, aanwezig is. Een door de gezamenlijke leden dezer maatschappij ingesteld verzet tegen een vonnis waarbij de maatschap bij verstek is veroordeeld, is niet ontvankelijk. — Rechtb. Rotterdam 28 September 1893; P. v. J. 1894, 21.

2646. De vereenigde internationale Rijnsleepersvereeniging is geene maatschap, wijl zij wel het gemeenschappelijk voordeel harer leden beoogt maar niet het gemeenschappelijk betalen en daarna verdeelen van winst. Immers volgens de statuten int het bestuur de gemaakte vrachten, niet om de winsten onder alle leden te verdeelen, maar alleen om ze later uit te keeren' aan dengene, die de vracht maakte. — Rechtb. Rotterdam 22 April 1903; P. v. J. 1903, 262.

2647. De overeenkomst, waarbij de eene partij aan de andere opdraagt voor hare rekening zekeren handel te drijven met bepaling, dat de lasthebber, die de opdracht heeft aangenomen, voor de helft in de winsten en verliezen deelen zal, is een maatschap en geen lastgeving. — Rechtb. Groningen 26 April 1889; P. v. J. 1889, 70. Hof Leeuwarden 29 November 1889; P. v. J. 1889, 150.

2648. De burgerlijke maatschap vormt niet een op zich zelf staande van de vennooten onderscheiden persoon, maar is slechts de collectieve benaming waardoor de gezamenlijke vennooten worden aangeduid. — H. R. 26 October 1893; W. 6417; P. v. J. 1893, 101; W. v. N. R. 1255.

2649. Een vereeniging van boeren, ten doel hebbende de exploitatie eener boterfabriek met dien verstande, dat de daartoe noodige melk door de leden der vereeniging zal worden geleverd, moet worden beschouwd als eene burgerlijke maatschap. -— Rechtb. 's-Hertogenbosch 28 April 1899; W. 7415.

Art. 1656.

2650. Indien tusschen twee vennooten is overeengekomen, dat ieder hunner zijne nijverheid zal inbrengen, dan is dit niet alleen voor ieder hunner een plicht, maar ook een recht; degene die den ander belet zijne nijverheid in te brengen, maakt zich schuldig aan contractbreuk. — Rechtb. Amsterdam 30 November 1894; W. 6805; P. v. J. 1896, 40; W. v. N. R. 1377; T. v. N. XIV, 101.

2651. G. Vlug. Het aandeel der vennooten in het vermogen van eene maat- of vennootschap. — T. v. P., N. en F. IV.

Sluiten