Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede Afdeeling.

Van de verbindtenissen der vennooten

onderling.

Art. 1662.

2652. H. M. J". Wattel. Inbreng in maat- of vennootschap. — W. v. N. R. 1282.

Art. 1664.

2653. Waar feitelijk is uitgemaakt het sluiten eener overeenkomst van maatschap, die wederzijdsche praestatie ten gevolge had en waarvan de wijze van beëindiging of ontbinding door de wet en den aard dier overeenkomst zelve werd voorgeschreven, is daaruit terecht het gevolg getrokken, dat de eischende maatschappij onbevoegd was den verweerder eene betrekking als voorwaarde verbonden aan de deelneming in de maatschap als een eenvoudig mandaat op te zeggen. — H. R. 20 December 1880; W. 5814; P. v. J. 1890, 12; v. d. H., B. R. LV, 358; N. R. CLIII, 382.

Art. 1668.

2654. G. A. H. Michiels van Kessenich. Het periculum bij maatschap. — Ac. Pr. Leiden 1893.

Art. 1669.

2655. De vennooten eener burgerlijke maatschap mogen elk een persoonsgedeelte der inschulden opeischen. — Rechtb. Rotterdam 12 Februari 1883; N. R B. 1884, B. 13.

2656. Een vennoot heeft geen recht om de vennootschap qua talis, zelfs als zij nog niet is ontbonden, te dagvaarden tot nakoming van verplichtingen, uit het maatschappelijk contract voortsprui¬

tende, maar hij moet daarvoor zijne medevennooten gezamenlijk aanspreken. Immers tengevolge der overeenkomst die zij hebben gesloten, hebben de vennooten tegenover elkander verplichtingen aangegaan, wier nakoming zij van elkander kunnen vorderen, maar er bestaat geen rechtsband tusschen eiken vennoot individueel en de maatschap als afzonderlijk lichaam. — Rechtb. Rotterdam 23 Februari 1898; \V. 7181.

Art. 1670.

2657. G. Schimmelpenninck. De overdracht van den Nederlandschen Rijnspoorweg aan den Staat (art. 1670 B. W.). — Ac. Pr. Leiden 1895.

2658. Uit dit artikel volgt, dat aan de houders van volgestorte en niet volgestorte aandeelen een gelijk recht toekomt. — Rechtb. Utrecht sine die; W. 6192.

2659. Onder het in een maatschap ingebrachte in den zin van dit artikel is alleen te verstaan hetgeen door de vennooten werkelijk is gestort en niet hetgeen eenig vennoot op zijn aandeel nog verschuldigd is. — H. R. 29 December 1893; W. 6450; P. v. J. 1894, 15; M. v. H., VI, 54; W. v. N-. R. 1263; N. R. CLXV, 473.

2660. Waar de aandeelen in een naamlooze vennootschap even groot zijn, geven zij aanspraak op een gelijk aandeel in de baten, onverschillig of zij zijn volgestort of niet. Deze stelling is niet in strijd met dit artikel, omdat onder inbreng is te verstaan al datgene, wat de vennooten, ten einde de maatschap werkend kunne optreden, te zamen brengen, hetzij in geld, hetzij in werkkracht, hetzij in crediet wanneer slechts de aandeelen ten behoeve van de maat-

Sluiten