Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Limburg aan het decreet van 30 December 1809 en voorts aan art. 1 der wet op de kerkgenootschappen van 15 September 1853 (St. 102) en aan de bevoegdheid der kerkelijke overheid om haar rechtspersoonlijkheid te verleenen. — Hof 's-Hertogenbosch 20 Juni 1893; W. 6355; R. W. v. N. 775.

2721. De wet van 22 April 1855 (St. 32) is niet toepasselijk op de kerkgenootschappen. — Rechtb. Dordrecht 13 Januari 1897; W. 6924.

2722. De Fransche wetten van 15 Fructidor an IV en 5 Frimaire an VI hebben niet alleen de bestaande kloostervereenigingen opgeheven, maar hare strekking was mede de vorming van nieuwe vereenigingen van dien aard te verbieden Hierin is echter verandering gebracht door het decreet van 3 Messidor an XII. Ingevolge dat decreet komt aan het hoofd van den Staat het recht toe om kloosterinrichtingen als gevestigd te erkennen, door welke erkenning zij rechtspersoonlijkheid verkrijgen. — Rechtb. Maastricht 16 Januari 1895; W. 6617.

2723. H. M. J. Wattel. De inbreng bij het zedelijk lichaam. — T. v. N. XII, 297.

2724. Prof. mr. Van Boneval Faure. Twee vragen betreffende de rechtspersonen :

1. Kunnen rechtspersonen onder de Nederlandsche wetgeving ontstaan, zonder dat hun ontstaan en bestaan door de wet is geregeld? Ja.

2. Welke is naar de Nederlandsche wet het kenmerkend onderscheid tusschen de burgerlijke maatschap en het zedelijk lichaam? Bij de maatschap wordt het voordeel, dat het in gemeenschap gebrachte goed oplevert, onmiddellijk verkregen door de enkele vennooten, terwijl bij het zedelijk lichaam

het voordeel, dat door het vermogen van het lichaam voor dit lichaam verkregen wordt, of middellijk door zijne tusschenkomst of in het geheel niet, aan de leden der vereeniging ten deel valt. — R. M. II, 303.

2725. Zedelijk lichaam of Vennootschap. - W. 5669, 5672 en 5673.

Rechtspersoon en Vennootschap onder firma. — R. B. II, A. 291.

2726. Mr. A. E. Schouten. Eigendom van Rechtspersonen. — W. v. N. R. 1951 en 1952.

2727. De meening, dat geene andere vereenigingen van personen of van vereenigde personen, behalve naamlooze vennootschappen of onder eene firma ol vereenigingen, die rechtspersoonlijkheid bezitten in rechten kunnen optreden, is onjuist. — Rechtb. Rotterdam 26 April 1890; P. v. J. 1890, 70.

2728. Spaarbanken opgericht door de Maatschappij tot Nut van het Algemeen vóór de wet van 22 April 1855 (St. 32) hebben rechtspersoonlijkheid. — Rechtb. Haarlem 16 Mei 1892; W.6899; P. v.J. 1893, 75.

2729. J. M. Mulder. Bijdrage tot de kennis van den rechtstoestand der marken in het bijzonder van die van Overijsel. — Ac. Pr. Leiden 1885.

2730. A. J. M. J. van Wijnbergen. Onze marken onder de werking der wet van 10 Mei 1866. — Ac. Pr. Amsterdam 1893. Aangek, door mr. A. E. B. in W. 6338 en door mr. J. Telting in Them. LIV, 322.

2731. Jhr. mr. D. O. Engelen. De procedure van de markenwet. — R. M. XIII, 155.

49

Sluiten