Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komsten en de reglementen is bepaald. De rechten en verplichtingen der leden van zoodanig zedelijk lichaam worden geregeld naar de verordeningen, waarop zij door het openbaar gezag zijn ingesteld of erkend, of naar hare instellingen, overeenkomsten of reglementen, en voor zooverre deze ontbreken naar de bepalingen van dezen titel. — H. R. 16 October 1899; W. 7344; P. v. J. 1899, 86; v. d. H., J. en V. XIII, 88.

2759. Krachtens art. 1692 B. W. kan het bestuur eener vereeniging ook zonder dat deze bij Koninklijk Besluit is erkend, voor de vereeniging in rechten optreden.

— Kantong. Haarlem 22 November 1902; Mb. Dw. XIX, 1.

Art. 1693.

2760. Bestuurders van een zedelijk lichaam zijn strafrechtelijk niet alleen aansprakelijk voor delicta commissionis, maar evenzeer voor delicta omissionis.

— H. R. 11 October 1880; W. 4561.

Art. 1695.

2761. Art. 1695 B. W. stelt de bevoegdheid om rekening en verantwoording van de bestuurders van een zedelijk lichaam te vorderen, alleen afhankelijk van het lidmaatschap van dat lichaam. Die rekening en verantwoording is tegenover elk lid niet beperkt tot daden, verricht nadat men lid geworden is. H. R. 3 Juni 1887; W. 5455.

Art. 1696.

2762. A. Biederlack. Eenstemmigheid of meerderheid van stemmen —Them 1887, 24; R. B. II, A. 270.

2763. Indien iemand toetreedt tot eene vereeniging, welker bepalingen bij meerderheid van stemmen kunnen gewijzigd worden, onderwerpt hij zich

daaraan en wordt hij evenals ieder lid door de besluiten der meerderheid tot wijziging dier bepalingen gebonden. — Kan tong. Arnhem 24 Februari 1886; T. v. N. IV, 314.

Art. 1697.

2764. De burgerlijke rechter is niet bevoegd kennis te nemen van een geschil tusschen eene kerkelijke autoriteit en het lid eener kerkelijke gemeente, welk geschil geheel lag binnen de grenzen van het kerkelijk reglement. — Rechtb. Assen 2 Januari 1883 ; W. 5026.

Art. 1702.

2765. De leden of één overgebleven lid van een niet op openbaar gezag ingesteld zedelijk lichaam kunnen of kan de eigendommen van zoodanig zedelijk lichaam slechts verkrijgen bij de ontbinding en met inachtneming van de voorschriften voor zoodanige ontbinding bij de wet voorgeschreven. De eischer, die persoonlijk voor zich en niet als in hoedanigheid van eenig overgebleven lid van zoodanig zedelijk lichaam, — dat volgens zijne posita niet ontbonden is — vertegenwoordigende, de eigendommen opvordert, is in zijn eisch niet ontvankelijk. — Rechtb. Heerenveen 12 Mei 1893; W. 6380; P. v. J. 1893, 57.

ELFDE TITEL.

Van schenkingen.

Eerste Afdeeling.

A Igemeene bepalingen.

Art. 1703.

2766. G. Blom. Over schenking in verband met faillissement — Ac. Pr. Leiden 1886.

Sluiten