Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2875. De deurwaarder, die bij het leggen van beslag eenen gerechtelijken bewaarder aanstelt, doet dit als lasthebber van den beslaglegger en verbindt dus dezen en niet zich zelf aan dien bewaarder. — Rechtb.'s-Gravenhage 6 November 1901; Mb. Dw. XVII, 9.

2876. In geval van opheffing van een executoir beslag op roerende goederen met bevel aan den door den executant aangestelden bewaarder, om die goederen aan den beslagene af te geven, behoeft die bewaarder die goederen niet af te geven dan tegen betaling van het verschuldigde bewaarloon. Van dat bewaarloon heeft hij een recht van retentie op de beslagene goederen. — Rechtb. Maastricht 22 Juli 1908; W. 8760; W. v. Not. 168.

2877. De gerechtelijke bewaarder heeft na opheffing van het beslag op rechterlijk bevel tegenover den beslagene geen recht op retentie voor het verdiende bewaarloon. — Hof 's-Hertogenbosch 12 Januari 1909; W. 8821; P. v. J. 1909, 810; W. v. N. R. 2039; W. v.Not. 175.

DERTIENDE TITEL.

Van bruikleening.

Eerste Afdeeling.

Algemeene bepalingen.

Art. 1777.

2878. Tot bruikleen wordt vereischt, dat de zaak tot een gebruik beperkt, wat de bestemming of wat den duur betreft, is afgestaan. — Hof's-Hertogenbosch 26 April 1880; W. 4546.

2879. Door aanwijzing van serie en nummer van geldswaardige papieren houden deze op vervangbare zaken te zijn. Uit de verplichting om dezelfde

en niet soortgelijke loten terug te geven, volgt, dat er was bruikleen. De bepaling door den rechter van een termijn tot teruggave, is bij bruikleen niet vereischt, maar kan in het belang van partijen plaats hebben. — Rechtb. Amsterdam 21 September 1875; N. R. B. 1877, B. 47; P. v. J. 1875, 47. Hof Amsterdam 14 December 1877; W. 4210.

2880. Waar in het te dier zake afgegeven ontvangbewijs de terleenontvangst van een effect wordt erkend, zonder aanduiding van letter, nummer of ander speciaal herkenningsteeken, moet worden aangenomen, dat een overeenkomst niet van bruikleening maar van verbruikleening is aangegaan. — Rechtb. Amsterdam 11 Februari 1891; W. 6046; P. v. J. 1891, 42.

2881. Mr. N. F. van Nooten. Heeft het beding in de koopakte „dat de verkooper de verkochte, roerende goederen in bruikleen behoudt" ten gevolge, dat de eigendom der verkochte roerende goederen op den kooper overgaat? Ontkennend beantwoord. — Them. Lil, 491. (Zie' nos. 190, 191 en 192, Deel II.)

2882. Het is niet in strijd met de openbare orde en goede zeden — en dan ook geoorloofd — den kooper (die het gekochte, dat door levering door hem in eigendom is verkregen, bij den verkooper in gebruik heeft gelaten, waardoor de verkooper — vroeger eigenaar — het voortaan voor den kooper — nieuwen eigenaar — onder zich houdt) de bevoegdheid te verleenen (onder bepaalde omstandigheden van niet-nakoming dooiden verkooper van diens verplichting) zich in het feitelijk bezit van zijn eigendom te stellen, waar dit uit roerend goed bestaat. De wet verzet zich noch uitdrukkelijk, noch in beginsel tegen de toekenning van zoodanige bevoegd-

50

Sluiten